Rb. Den Haag 25 juni 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:9859

Eiseres is een statushouder in Griekenland. Verweerder heeft haar asielaanvraag opgenomen in de nationale procedure. De asielaanvraag is afgewezen door verweerder omdat de geloofwaardig geachte relevante elementen geen asielgrond opleveren. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat Marokko is aangemerkt als een veilig land van herkomst en dat de geloofwaardig geachte relevante elementen geen aanleiding geven voor het oordeel dat Marokko voor eiseres persoonlijk geen veilig land van herkomst is. Ook heeft eiseres volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt dat zij geen bescherming kan vragen dan wel kan krijgen van de Marokkaanse autoriteiten. Uit een rapportage van MediFirst volgt dat eiseres vanwege haar psychische aandoening in het kader van haar asielprocedure niet (/nooit) kan worden gehoord. Verweerder heeft geprobeerd op grond van de Dublinverordening het Griekse asieldossier te verkrijgen, maar dat is niet gelukt omdat de Dublinverordening niet langer op eiseres van toepassing is. Vervolgens heeft verweerder enkele schriftelijke vragen aan eiseres gesteld, die zij met hulp van haar begeleider schriftelijk heeft beantwoord. Verweerder heeft aan de hand van die antwoorden een beslissing op de asielaanvraag genomen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met voormelde handelingen in dit specifieke geval niet alle inspanningen heeft verricht die in redelijkheid van hem konden worden verlangd. Uit de informatie die de Griekse autoriteiten hebben verstrekt volgt dat aan eiseres een vluchtelingenstatus is verleend. De rechtbank betrekt hierbij het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 18 juni 2024, in de zaak QY tegen Duitsland, ECLI:EU:C:2024:524, waaruit volgt dat verweerder in een situatie zoals die van eiseres moet onderzoeken op welke gronden Griekenland een vluchtelingenstatus aan eiseres heeft verleend. Het verrichten van dergelijk onderzoek is des te belangrijker in het geval van eiseres nu zij blijvend niet kan worden gehoord over haar asielaanvraag. Uit het dossier blijkt niet dat verweerder, buiten het opvragen van het asieldossier op grond van de Dublinverordening, actie heeft ondernomen in de richting van de Griekse autoriteiten om alsnog informatie te verkrijgen. Ook heeft eiseres met hulp van haar begeleider een aantal vragen schriftelijk beantwoord. Deze antwoorden zijn niet heel uitgebreid, maar wel consistent en coherent. Verweerder had daarom naar het oordeel van de rechtbank moeten proberen of er aan de hand van nadere schriftelijke vragen meer informatie van eiseres over haar asielmotieven kon worden verkregen. Verweerder heeft niet de ‘redelijke inspanningen’ als bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de Procedurerichtlijn en Werkinstructie 2021/12 verricht om de asielmotieven van eiseres en de voor de beoordeling daarvan relevante gegevens op een alternatieve wijze te achterhalen. Het bestreden besluit is daarom niet zorgvuldig voorbereid. Het beroep is gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken