Rb. Den Haag 22 april 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:5842
[bewaring, misbruik van recht] Tijdens bewaring heeft eiser een aanvraagformulier ingediend om toetsing aan het EU-recht. Hij stelt daarbij dat hij als gevolg hiervan procedureel rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000 en voor deze categorie vreemdelingen een wettelijke grondslag voor inbewaringstelling ontbreekt. Eiser verwijst hiertoe naar de uitspraak van de Afdeling van 12 november 2021. De rechtbank ziet recentelijk een toename van dit soort zaken, in het bijzonder van de gemachtigde van deze zaak. De staatssecretaris heeft ook op deze ontwikkeling gewezen. De gemachtigde dient in deze zaken een zogeheten “kaal” aanvraagformulier in bij de staatssecretaris. Ook reageert de gemachtigde in deze zaken niet op brieven van de staatssecretaris om de onvolledige aanvraag aan te vullen, waardoor die aanvragen telkens worden afgewezen. .De rechtbank ziet zich hierdoor voor de vraag gesteld of met deze aanvraag sprake is van misbruik van recht. Dat is volgens de rechtbank het geval. In het geval van eiser is voldaan aan het objectieve en subjectieve element voor het aannemen van misbruik van recht. Er is voldaan aan het objectieve element: uit de objectieve omstandigheden blijkt dat het doel van de ingeroepen regeling door eiser niet wordt bereikt. Eiser heeft geen daadwerkelijke bescherming van Unierechten nodig, terwijl de ingediende aanvraag daar wel voor bedoeld is. Ook is voldaan aan het subjectieve criterium. Het is gebleken dat eiser bedoeld heeft om het voordeel te behalen dat hij vanwege het ontbreken van een juridische grondslag niet in bewaring kan worden gesteld. Die bedoeling is voldoende uit objectieve omstandigheden af te leiden. Eiser heeft de aanvraag om toetsing aan het EU-recht ingediend zonder aan te kruisen welk verblijfsdoel hij beoogt. Ook heeft eiser bij het indienen van de aanvraag de vereiste bijlagen en de gevraagde ondersteunende bescheiden die het declaratoire verblijfsrecht kunnen aantonen niet meegezonden, terwijl het belang daarvan in het formulier is benadrukt. Eiser heeft verder geen duidelijke verklaring gegeven voor het late tijdstip van indiening – een kleine drie weken na inbewaringstelling – van de aanvraag. Eiser heeft daarnaast geen gebruikgemaakt van de gekregen gelegenheid om de onvolledige aanvraag aan te vullen. Omdat eiser, ondersteund door zijn gemachtigde, de procedure misbruikt, kan de staatssecretaris de daarbij behorende voordelen, te weten procedureel rechtmatig verblijf gedurende de aanvraag aan het EU-recht, met terugwerkende kracht ontzeggen tot aan het moment van de indiening van de aanvraag.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Rb. Den Haag 20 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:3888
- Rb. Den Haag 4 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:3017
- ABRvS 11 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3508
- ABRvS 16 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2353
- ABRvS 12 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2530
- ABRvS 26 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:885
- ABRvS 12 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2083
- ABRvS 10 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:67
- ABRvS 21 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:504
- ABRvS 13 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2005
- ABRvS 12 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1082
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1974:131
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1992:296
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1999:126
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2000:695
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2003:491
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2006:121
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2010:800
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2012:630
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2014:1320