Rb. Den Haag 9 april 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:4985
Vaststelling Nederlanderschap. Verzoek toegewezen. Erkenning van de minderjarige op 10 februari 2016 rechtsgeldig geworden. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat uit het Costa Ricaanse recht volgt dat de erkenning pas rechtskracht heeft nadat de ontkenning van het vaderschap van kracht is geworden. De omstandigheid dat op grond van de uitspraak van de rechtbank te Costa Rica van 10 februari 2016 als gegevens van de vader de naam van * is vervangen door de naam van verzoeker, impliceert volgens de rechtbank dat met deze uitspraak de ontkenning van het vaderschap van * van kracht is geworden. De Costa Ricaanse erkenning door verzoeker van de minderjarige kan op grond van artikel 10:101 BW worden erkend. Tijdens de gerechtelijke procedure te Costa Rica is door DNA-onderzoek vastgesteld dat het voor 99.999% zeker is dat verzoeker de biologische vader is van de minderjarige. Nu bij uitspraak van 10 februari 2016 door de rechtbank te Costa Rica een gerechtelijke machtiging is verleend aan verzoeker tot erkenning van de minderjarige, op basis van het DNA-bewijs, is de rechtbank van oordeel dat is voldaan aan het vereiste van artikel 4 lid 4 RWN dat het biologisch ouderschap bij of binnen een jaar na de erkenning wordt aangetoond. O.g.v. artikel 4 lid 4 RWN heeft de minderjarige Nederlandse nationaliteit gekregen met ingang van 10 februari 2016.
De uitspraak op rechtspraak.nl