Rb. Den Haag 23 januari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:4651
Werkneemster verzoekt om toekenning van een transitievergoeding en achterstallig loon. Werkneemster legt aan haar verzoek ten grondslag dat er sprake was van een arbeidsomvang van 38 uur per week. Voor zover partijen zijn overeengekomen dat de urenomvang is beperkt tot 24 uur per week, beroep werkneemster zich op dwaling, althans misbruik van omstandigheden, althans op goed werkgeverschap. Werkgever had werkneemster erop behoren te wijzen dat zij zich ziek had te melden, althans had dit moeten onderzoek en moeten onderzoeken of werkneemster zich ervan bewust was dat zij die optie had en had – mede gelet op de financiële nadelige gevolgen voor werkneemster – niet mogen leiden tot de afspraak tot mindering van haar arbeidsuren. De werkgever verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de tussen partijen gemaakte afspraak met betrekking tot urenvermindering rechtsgeldig is en verzoekt om afwijzing van de vorderingen. De kantonrechter stelt werkneemster in het gelijk. Er is sprake van niet goed werkgeverschap met het gevolg dat werkgever dient af rekenen tot einde dienstverband op basis van een dienstverband van 38 uur per week. Vast is komen te staan dat werkneemster – na de gemaakte afspraak – volledig arbeidsongeschikt is geraakt tot einde dienstverband. Gelet op de door werkgever en werkneemster beschreven symptomen had voldoende aannemelijk moeten zijn voor werkgever dat deze problematiek niet voor het eerst na de gemaakte afspraak is ontstaan, maar al langer speelde. Niet gebleken is dat werkgever met werkneemster heeft besproken dat was te onderzoeken of zij zich beter ziek kon melden in plaats van haar arbeidsomvang te verminderen. Nu werkgever dit niet heeft gedaan, kan werkneemster niet in alle redelijkheid aan de gemaakte afspraak worden gehouden en is te oordelen dat werkgever zich niet als goed werkgever heeft gedragen.
De uitspraak op rechtspraak.nl