Rb. Den Haag 29 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:4508

Richtlijn Tijdelijke Bescherming, gevolgen voor uit Oekraïne gevluchte derdelanders met een tijdelijk verblijfsrecht per 2 april 2024. De voorzieningenrechter van de zittingsplaats Utrecht is niet in staat om tijdig, voor dit weekend, afzonderlijke beslissingen te nemen op 95 lopende verzoeken. Om deze reden doet de voorzieningenrechter in één uitspraak alle zaken af. De terugkeerbesluiten worden geschorst, maar de gevraagde voorziening met het oog op het behoud van opvang en werk wordt afgewezen

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: zie de bijlage bij deze uitspraak
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaken tussen
95 verzoekers
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Inleiding

1 Deze uitspraak gaat over de vraag of ‘derdelanders’ uit Oekraïne die daar een tijdelijk verblijfsrecht hadden, na 2 april 2024 nog in Nederland mogen blijven in afwachting van hun procedure bij de rechtbank. De voorzieningenrechter beslist in deze uitspraak in één keer in de zaken van een grote groep derdelanders, zodat zij tijdig op de hoogte kunnen zijn van hun rechten en plichten.

2 Derdelanders die na het uitbreken van de oorlog in Oekraïne naar Nederland zijn gevlucht, kregen hier tijdelijke bescherming op grond van de Europese Richtlijn Tijdelijke Bescherming. Het gaat in deze uitspraak om de groep van derdelanders die zich vóór 19 juli 2022 in de basisregistratie personen hebben ingeschreven en aan wie de staatssecretaris onlangs een (nieuw) terugkeerbesluit heeft opgelegd, ná de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 januari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:32).

3 Velen van deze groep hebben bij de rechtbank Den Haag beroep ingesteld tegen het terugkeerbesluit en velen hebben daarnaast de voorzieningenrechter verzocht om in afwachting van de beroepsprocedure een voorlopige voorziening te treffen. Bij de zittingsplaats Utrecht zijn op dit moment 95 van dit soort verzoeken om een voorlopige voorziening geregistreerd.

4 De voorzieningenrechter van deze zittingsplaats is niet in staat om tijdig, voor dit weekend, afzonderlijke beslissingen te nemen op deze verzoeken en die naar hen te versturen. Om deze reden doet de voorzieningenrechter in één uitspraak alle lopende verzoeken af. Het is bovendien onmogelijk om deze zaken voor 2 april 2024 op een zitting te behandelen. Er is dan ook sprake van onverwijlde spoed in de zin van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, op grond waarvan een zitting achterwege blijft.

5 Deze uitspraak wordt vandaag gepubliceerd op rechtspraak.nl. In de bijlage bij deze uitspraak staan alle zaaknummers waarop deze uitspraak betrekking heeft. Derdelanders die een verzoek om voorlopige voorziening hebben gedaan dat aan deze zittingsplaats is toegedeeld, hebben eerder al een bevestiging ontvangen met een zaaknummer. Aan de hand daarvan kunnen zij nagaan of deze uitspraak ook geldt voor hun procedure.

6 De lijst met zaaknummers in de bijlage is bijgewerkt voor verzoeken die tot enkele dagen geleden zijn gedaan. Er zijn daarnaast nog recente verzoeken die wel al zijn gedaan, maar die nog niet administratief zijn verwerkt bij de rechtbank. Op die verzoeken zal de voorzieningenrechter later beslissen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

7 Verzoekers hebben een spoedeisend belang bij een snelle beslissing van de voorzieningenrechter, omdat zij per 2 april 2024 de opvang van de gemeente moeten verlaten én omdat zij kunnen worden uitgezet naar de landen die in de aan hen gerichte terugkeerbesluiten zijn opgenomen. De verzoeken om een voorlopige voorziening zijn niet allemaal precies gelijk, maar gaan in hoofdlijn steeds over een van of allebei van de volgende verzoeken:

een verzoek om het terugkeerbesluit te schorsen, zodat de derdelander niet kan worden uitgezet uit Nederland;
een verzoek om te bepalen dat alle rechten op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming voorlopig behouden blijven, waaronder het recht op opvang en het recht om te mogen werken zonder tewerkstellingsvergunning.

Beslissing over de terugkeerbesluiten

8 De voorzieningenrechter heeft eerder deze maand al beslist over drie vergelijkbare verzoeken om een voorlopige voorziening, in de uitspraken van 4 maart 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:2785 tot en met -:2787). In die uitspraken wilde de voorzieningenrechter niet vooruit lopen op de vraag hoe de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024 zich verhoudt tot de daarna genomen terugkeerbesluiten, omdat die vraag vóór 2 april 2024 in bodemzaken beantwoord zou worden door – onder andere – deze zittingsplaats.

9 Dat antwoord heeft deze zittingsplaats van de rechtbank inmiddels gegeven, in twee uitspraken van 26 maart 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:4210 en -:4212). In deze uitspraken heeft deze zittingsplaats geoordeeld dat zij niet afwijkt van het oordeel van de Afdeling over het eindigen van het tijdelijke verblijfsrecht. Er is daarom een grondslag voor het opleggen van een terugkeerbesluit. De rechtbank heeft echter ook geoordeeld dat de terugkeerbesluiten in die twee zaken onzorgvuldig tot stand zijn gekomen, omdat de vreemdelingen niet in de gelegenheid zijn gesteld om ten aanzien van de (voorgenomen) terugkeerverplichting hun persoonlijke omstandigheden toe te lichten en er geen weging van daaruit volgende belangen heeft plaatsgevonden.

10 Het grootste deel van de nu voorliggende verzoeken om voorlopige voorziening heeft betrekking op dezelfde situatie als die waarover deze zittingsplaats van de rechtbank op 26 maart 2024 heeft geoordeeld: het gaat om derdelanders die zijn gevlucht vanuit Oekraïne en aan wie een terugkeerbesluit is opgelegd, zonder dat zij de kans hebben gehad om hun persoonlijke omstandigheden ten aanzien van de (voorgenomen) terugkeerverplichting toe te lichten. In de beroepen tegen de terugkeerbesluiten en in de verzoeken om voorlopige voorziening voeren de derdelanders dit in de meeste gevallen ook aan.

11 In het verlengde van de uitspraken van 26 maart 2024 oordeelt de voorzieningenrechter nu dat de terugkeerbesluiten in de hier voorliggende zaken onrechtmatig zijn, voor zover de derdelanders niet de gelegenheid hebben gehad om hun persoonlijke omstandigheden ten aanzien van de (voorgenomen) terugkeerverplichting toe te lichten. Het belang dat de derdelanders hebben om de staatssecretaris aan de hand van een dergelijke toelichting alsnog ervan te overtuigen dat een terugkeerbesluit moet worden ingetrokken, weegt zwaarder dan het belang van de staatssecretaris om direct vanaf 2 april 2024 tot uitzetting van deze derdelanders over te kunnen gaan. Er is daarom sprake van onverwijlde spoed die gelet op de betrokken belangen vereist dat de terugkeerbesluiten bij wijze van voorlopige voorziening worden geschorst in afwachting van de behandeling van de beroepen.

12 Het schorsen van de terugkeerbesluiten is gunstig voor de derdelanders. Ondanks dat er geen zitting is geweest waarop zij hun verzoek konden toelichten, worden zij in zoverre dan ook niet in hun belangen geschaad. Als de staatssecretaris echter van oordeel is dat zijn belangen in een specifiek geval maken dat een terugkeerbesluit níet had moeten worden geschorst, dan kan hij de voorzieningenrechter een verzoek doen om de getroffen voorlopige voorziening voor dat specifieke geval op te heffen, op grond van artikel 8:87, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Een dergelijk verzoek zal in beginsel op een zitting worden behandeld.

Beslissing over opvang en werken zonder tewerkstellingsvergunning

13 Voor de verzoeken die ertoe strekken dat het recht op opvang blijft bestaan en dat derdelanders kunnen blijven werken zonder tewerkstellingsvergunning oordeelt de voorzieningenrechter anders. Daarover heeft hij in de uitspraken van 4 maart 2024 immers al overwogen dat er met de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024 een uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven oordeel van de hoogste nationale vreemdelingenrechter ligt waaruit volgt dat het uit de Richtlijn Tijdelijke Bescherming voortvloeiende recht op opvang en recht om te werken zonder tewerkstellingsvergunning van rechtswege eindigt vanaf 4 maart 2024. In de uitspraken van 26 maart 2024 heeft deze zittingsplaats van de rechtbank evenmin reden gezien om daarvan af te wijken. Wat de derdelanders hiertegen aanvoeren, heeft daarom weinig kans van slagen, zodat er geen gewicht kan worden toegekend aan hun belangen om toch opvang te behouden en te mogen blijven werken zonder tewerkstellingsvergunning. De daarop gerichte verzoeken om voorlopige voorziening worden daarom afgewezen.

14 Het afwijzen van het verzoek om te bepalen dat het recht op opvang blijft bestaan en dat er zonder tewerkstellingsvergunning kan worden gewerkt, is ongunstig voor de derdelanders. Het is gelet op het grote aantal procedures echter niet mogelijk om in iedere individuele zaak hierover alsnog een zitting te houden. Als een van de verzoekers geen opvang meer krijgt en niet meer kan werken zonder tewerkstellingsvergunning terwijl diegene meent vanwege zéér bijzondere, op hem of haar toegespitste, omstandigheden daar wél recht op te hebben en hij of zij in een spoedeisende situatie terecht komt, kan diegene opnieuw verzoeken om een voorlopige voorziening te treffen. Als deze bijzondere, op een specifieke derdelander betrekking hebbende, omstandigheden worden onderbouwd dan zal een dergelijk verzoek in beginsel op een zitting worden behandeld.

Afwijkende situaties

15 Het is onmogelijk om tijdig alle verzoeken afzonderlijk te bekijken. Daardoor is het mogelijk dat er in deze uitspraak ook wordt beslist op verzoeken om voorlopige voorziening waarin de situatie afwijkt van de hiervoor beschreven situaties over de zorgvuldigheid van de terugkeerbesluiten en over het recht op opvang en het recht om te mogen werken zonder tewerkstellingsvergunning.

16 In de eerste plaats is het mogelijk dat er in de bijlage van deze uitspraak zaaknummers voorkomen van zaken waarin aan een vreemdeling een terugkeerbesluit is opgelegd, terwijl die vreemdeling geen uit Oekraïne gevluchte derdelander is. Zo’n procedure gaat dan niet over de Richtlijn Tijdelijke Bescherming, maar is terecht gekomen in de grote stroom van zaken die daar wel over gaan. In deze gevallen hebben de vreemdelingen geluk doordat hun terugkeerbesluiten met deze uitspraak worden geschorst en zij niet kunnen worden uitgezet. De belangen van de vreemdelingen worden daarmee niet geschaad. Als dit zich voordoet en als de staatssecretaris een concreet voornemen heeft om een vreemdeling uit te zetten, dan kan hij ook dan de voorzieningenrechter verzoeken om de getroffen voorziening voor dat specifieke geval op te heffen.

17 In de tweede plaats is het mogelijk dat er in de bijlage van deze uitspraak zaaknummers voorkomen van zaken waarin een vreemdeling niet alleen vindt dat hij of zij onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming valt wegens het zijn van derdelander met een tijdelijk verblijfsrecht in Oekraïne, maar óók omdat hij of zij op een andere grondslag onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming valt, bijvoorbeeld omdat diegene de partner is van een vreemdeling met de Oekraïense nationaliteit. In deze gevallen hebben de vreemdelingen mogelijk, in afwijking van deze uitspraak, tóch recht op opvang en recht om te werken zonder tewerkstellingsvergunning. Als een van de verzoekers in die situatie verkeert, kan diegene opnieuw verzoeken om een voorlopige voorziening te treffen.

Proceskosten

18 Alle verzoekers hebben zich laten bijstaan door een advocaat. Omdat de voorzieningenrechter de verzoeken gedeeltelijk toewijst, veroordeelt hij de staatssecretaris in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 875,00 per verzoeker (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 875,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

bepaalt dat het de staatssecretaris wordt verboden om verzoekers uit te zetten;
wijst de verzoeken af voor zover deze zien op het behouden van de rechten op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (verzoekers hebben dus géén recht om te werken zonder tewerkstellingsvergunning en géén recht op opvang van de gemeente uit hoofde van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming);
veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 875,00 per verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. Kersten, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2024.

griffier voorzieningenrechter

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Bijlage

NL24.9123

NL24.7419

NL24.7785

NL24.8141

NL24.8782

NL24.10054

NL24.10087

NL24.10131

NL24.5296

NL24.6185

NL24.6188

NL24.6653

NL24.7094

NL24.7523

NL24.7657

NL24.7658

NL24.7730

NL24.7749

NL24.7816

NL24.7875

NL24.8127

NL24.8153

NL24.8155

NL24.8157

NL24.8217

NL24.8267

NL24.8476

NL24.8651

NL24.8278

NL24.8802

NL24.8452

NL24.8810

NL24.8536

NL24.8925

NL24.8933

NL24.8975

NL24.8720

NL24.8789

NL24.8775

NL24.9032

NL24.9036

NL24.9123

NL24.9125

NL24.9205

NL24.9228

NL24.9231

NL24.9282

NL24.9283

NL24.9286

NL24.9291

NL24.9333

NL24.9334

NL24.9337

NL24.9338

NL24.9356

NL24.9378

NL24.9452

NL24.9453

NL24.9492

NL24.9495

NL24.9507

NL24.9623

NL24.9546

NL24.9719

NL24.9743

NL24.9775

NL24.9788

NL24.9858

NL24.9970

NL24.10081

NL24.10415

NL24.10874

NL24.10962

NL24.11041

NL24.11113

NL24.11115

NL24.11117

NL24.11247

NL24.11750

NL24.12610

NL24.11935

NL24.11988

NL24.11992

NL24.12492

NL24.1013

NL24.12367

NL24.13361

NL24.13036

NL24.12935

NL24.12852

NL24.12358

NL24.12351

NL24.12253

NL24.12099

NL24.12097

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in