Rb. Den Haag 29 februari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:3668

Verzoekster stelt dat de zorgaanbieder de wet niet in acht heeft genomen, omdat verzoekster van 13 september 2023 tot 20 november 2023 zonder recht of titel in de zorginstelling heeft verbleven. De zorgaanbieder voert aan dat het verzoek primair niet-ontvankelijk dient te worden verklaard nu verzoekster persoonlijk de procedure voert. Subsidiair voert de zorgaanbieder aan dat de wet wel in acht is genomen door de zorgaanbieder. Ontvankelijkheid De rechtbank overweegt dat het verzoek tot schadevergoeding op grond van artikel 44 lid 2 Wzd in beginsel door de bewindvoerder van verzoekster gedaan had moeten worden. Dit volgt ook uit het arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 20 juni 2023 (r.o. 5.2). Dit is in eerste instantie niet gebeurd, maar uit de brief van de bewindvoerder van 8 januari 2024 volgt dat hij instemt met de procedure en voor zoveel nodig machtiging hiervoor verleent. De rechtbank acht verzoekster daarom ontvankelijk in haar verzoek. Schadevergoeding De rechtbank stelt vast dat verzoekster rechtmatig op 13 september 2023 vanuit de thuissituatie is opgenomen bij de zorgaanbieder op grond van voormeld besluit van het CIZ van 11 juli 2023. Na de opname is er sprake van verzet bij verzoekster. Op 25 september 2023 wordt om die reden een rechterlijke machtigingsprocedure in gang gezet door de zorgaanbieder. Vervolgens is verzoekster op 9 oktober 2023 door een onafhankelijk arts onderzocht en is een medische verklaring opgesteld. Op 19 oktober 2023 is de aanvraag voor een rechterlijke machtiging door de zorgaanbieder bij het CIZ ingediend. Het CIZ heeft op 1 november 2023 de aanvraag voor de rechterlijke machtiging ingediend bij de rechtbank Den Haag. Daarna heeft op 20 november 2023 de mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden en is de rechterlijke machtiging verleend. De rechtbank overweegt dat verzoekster gediagnosticeerd is met vasculaire dementie. Het is gebruikelijk dat de zorgaanbieder eerst kijkt of het verzet na de wenperiode verdwijnt. De zorgaanbieder heeft in dit geval op een respectvolle en creatieve wijze geprobeerd om verzoekster te laten wennen en het verzet te verminderen. De rechtbank acht de periode van 14 september 2023 tot 25 september 2023 een redelijke termijn voor de zorgaanbieder om het verzet in kaart te brengen en te trachten dit weg te nemen. Voorts is de rechtbank van oordeel dat uit het systeem van de wet niet volgt dat de zorgaanbieder in een geval als deze een inbewaringstelling had moeten aanvragen. Uit de artikelen 21 lid 3 Wzd jo. 22 lid 9 Wzd jo. 24 lid 1 Wzd volgt dat bij een cliënt die verzet toont, nadat hij is opgenomen op grond van een artikel 21 Wzd indicatie, voortzetting van het verblijf alleen mogelijk is met een rechterlijke machtiging. Op grond van de wet is de eerst aangewezen machtiging die aangevraagd moet worden als een cliënt in een accommodatie verblijft en vervolgens verzet laat zien dus de rechterlijke machtiging en niet de inbewaringstelling. In zoverre heeft de zorgaanbieder de juiste procedure gevolgd, te meer nu bij verzoekster ook geen sprake was van een acute crisissituatie, waarvoor de inbewaringstelling is bedoeld. Het kan de zorgaanbieder naar het oordeel van de rechtbank ook niet worden verweten dat de rechterlijke machtigingsprocedure vervolgens de nodige tijd in beslag heeft genomen. De zorgaanbieder heeft geen invloed op de termijnen waarbinnen verzoekster wordt beoordeeld door een onafhankelijke arts, het CIZ de aanvraag indient bij de rechtbank en wanneer de behandeling door de rechtbank plaatsvindt. Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op het voorgaande, de wet in acht genomen door de zorgaanbieder waardoor verzoekster niet onrechtmatig in de instelling heeft verbleven. De rechtbank zal het verzoek om schadevergoeding daarom afwijzen. De rechtbank: wijst af het verzoek tot schadevergoeding.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken