Rb. Den Haag 5 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:21534

Regulier. Geen rechtmatig verblijf in Nederland op grond van het Unierecht. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de minister niet mocht onderzoeken of eiser nog aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf voldoet. De minister heeft een onderzoek ingesteld naar aanleiding van signalen van de politie. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat eiser gedurende een periode van vijf jaar over voldoende middelen van bestaan beschikte en dat sprake was van reële en daadwerkelijke arbeid, zodat er geen duurzaam verblijfsrecht van rechtswege is verkregen. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij later niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 8.12 lid 1 Vb en artikel 8.16 lid 2 onder b Vb. De rechtbank is van oordeel dat de gehanteerde vertrektermijn in overeenstemming is met artikel 30 lid 3 van de Verblijfsrichtlijn. Het is aan eiser om zich nader te laten informeren onder welke voorwaarden hij een nieuw verblijfsrecht kan krijgen; op de minister rust geen actieve informatieplicht. De belangenafweging mocht in het nadeel van eiser uitvallen en er is geen sprake van schending van artikel 5 van het EVRM. De hoorplicht is niet geschonden. Beroep ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken