Rb. Den Haag 16 februari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:1859

De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris de beslistermijn voor asielaanvragen die zijn ingediend vanaf 1 januari 2023 tot 1 januari 2024 met WBV 2023/3 rechtsgeldig met negen maanden heeft verlengd. De rechtbank ziet geen reden om terug te komen van haar eerdere uitspraak van 24 maart 2023 over WBV 2022/22, waarin zij heeft geoordeeld dat voor de toepassing van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw, geen grote snelle piek in het aantal asielaanvragen vereist is. Ook ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor de juistheid van de stelling van eiseres dat de verlengingsbevoegdheid alleen kan worden toegepast indien sprake is van een onverwachte toename van asielaanvragen. De rechtbank acht van belang dat de totale asielinstroom ten tijde van de inwerkingtreding van WBV 2023/3 naar verwachting onverminderd hoog zou blijven. De daadwerkelijke cijfers over de asielinstroom in 2023 vormen daarvan een bevestiging. Naar aanleiding van de toename van de asielinstroom heeft de staatssecretaris maatregelen genomen. De verhouding tussen de besliscapaciteit en het aantal asielaanvragen in april 2023 is niet wezenlijk anders dan in april 2022. Van de staatssecretaris kon binnen de beperkte periode van iets meer dan drie maanden tussen de inwerkingtreding van WBV 2022/22 en WBV 2023/3 niet worden verwacht dat hij op asielaanvragen ingediend in 2023 weer binnen zes maanden kon beslissen. De rechtbank concludeert dat eiseres de ingebrekestelling te vroeg heeft ingediend en verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken