Rb. Den Haag 17 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:17307
Internationale Kinderontvoering. Verzoek vader tot teruggeleiding naar Hongarije toegewezen. Naar het oordeel van de rechtbank was de gewone verblijfplaats van de minderjarige voor zijn overbrenging naar Nederland in Hongarije, ondanks verblijf van de minderjarige van juni 2023 tot januari 2024 met de moeder in Thailand. Vóór het moment van vertrek naar Thailand was de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Hongarije gelegen. Het verblijf van de minderjarige in Thailand was, gelet op de duur, de omstandigheden en de redenen van het verblijf, bedoeld als tijdelijk. De veronderstelling van de moeder dat de vader zou instemmen met een verblijf van de minderjarige dichterbij Hongarije, omdat Thailand verder reizen is dan Nederland, kan naar het oordeel van de rechtbank ook niet worden opgevat als toestemming in de zin van het Verdrag. Beroep van de moeder op weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag slaagt niet. Het gaat om terugkeer naar Hongarije en niet om terugkeer naar de vader, de gezondheidstoestand en de woonsituatie van de vader leveren op zichzelf geen ondragelijke toestand op. Ook is de rechtbank is er onvoldoende van overtuigd geraakt dat het – op dit moment – voor de moeder niet mogelijk is om terug te keren naar Hongarije. Omdat de rechtbank de zorgen over de door de moeder geschetste situatie wel deelt, verzoekt zij de Raad voor de Kinderbescherming om een zorgmelding te doen bij de Hongaarse autoriteiten. Verzoek benoeming voorlopige voogdij afgewezen, onvoldoende aanwijzingen dat moeder zich aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot teruggeleiding zal onttrekken.
De uitspraak op rechtspraak.nl