Rb. Den Haag 2 augustus 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:13018
Vreemdeling is afkomstig uit Nigeria en de minister heeft geloofwaardig geacht dat eiser problemen heeft met een mensenhandelaar en dat hij tijdens zijn vlucht naar Europa is verkracht door een man. De aanvraag is afgewezen omdat eiser niet aannemelijk zou hebben gemaakt dat hij bij terugkeer naar Nigeria een reëel risico op ernstige schade zou lopen. Uit jurisprudentie van het Hof van Justitie volgt dat wanneer de rechtbank van oordeel is dat zij beschikt over alle daartoe noodzakelijke feitelijke en juridische gegevens, zij de bevoegdheid heeft om na afloop van een volledig en ex nunc onderzoek een bindende uitspraak te doen over de vraag of degene die een rechtsmiddel heeft ingesteld tegen een beslissing tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming, voldoet aan de voorwaarden van richtlijn 2011/95 om internationale bescherming te krijgen. De ten aanzien hiervan door de rechter genomen beslissing, is bindend voor de minister. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom eiser bij terugkeer naar Nigeria geen reëel risico loopt op ernstige schade en gelet op het feit dat uit de algemene landeninformatie verder volgt dat slachtoffers van mensenhandel bij terugkeer onder druk worden gezet om hun schuld af te lossen door zich opnieuw te laten uitbuiten, zeker als de familie het slachtoffer niet opnieuw opneemt, valt een dergelijke motivering naar alle waarschijnlijkheid ook niet te geven. Om die reden had de minister, tegen de achtergrond van het bepaalde in artikel 31, vijfde lid van de Vw en op basis van het geloofwaardig gevonden asielrelaas, alsmede tegen de achtergrond van de verklaringen van eiser over de verstoting door zijn ouders zoals dat hiervoor onder 10 en verder is weergegeven, in beginsel ten minste een asielvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder sub b van de Vw moeten verlenen. Verder geeft hetgeen onder 10 en verder is overwogen een indicatie dat wat eiser is overkomen er toe zal leiden dat hij als afwijkend binnen zijn gemeenschap zal worden gezien en mogelijk homoseksualiteit zal worden toegedicht. Tegen de achtergrond van het beleid dat de minister voert voor LHBTI in Nigeria ligt ook in dat opzicht een asielvergunning in de rede, nu eiser tegen die achtergrond slechts geringe indicaties hoeft te geven en die geringe indicaties reeds kunnen zijn gelegen in het feit dat naar alle waarschijnlijkheid de mensenhandelaar bekend zal zijn met de verkrachting van eiser en dit dus mede kan gebruiken als pressiemiddel. Eiser voldoet aldus aan de voorwaarden voor asielverlening op grond van artikel 29, eerste lid, onder sub b van de Vw. De rechtbank zal niet zelf in de zaak voorzien, maar zal aan de minister de opdracht worden gegeven om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen. In dat besluit zal aan eiser ten minste een asielvergunning als bedoeld onder artikel 29, eerste lid, onder b van de Vw moeten worden verleend, tenzij zich een uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 3.105e van het Vb voordoet. Indien de minister tot de conclusie komt dat eiser (tevens) voldoet aan de voorwaarden van artikel 29, eerste lid, onder a van de Vw, dan zal de minister (ook) moeten toetsen of de uitsluitingsgrond van artikel 3.105c van het Vb van toepassing is.
De uitspraak op rechtspraak.nl