Rb. Den Haag 9 juli 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:10901

Voor het antwoord op de vraag of eiser bij terugkeer naar Irak vanwege godsdienst een gegronde vrees heeft voor vervolging volgens het Vluchtelingenverdrag en de Kwalificatierichtlijn is niet bepalend of, zoals het Nederlandse beoordelingskader eist, sprake is van een ‘oprechte bekering gebaseerd op een diepgewortelde innerlijke overtuiging’. Bepalend is of er objectieve omstandigheden zijn die maken dat eiser, bij terugkeer, te vrezen heeft voor vervolging vanwege de godsdienst die hij aanhangt of waarvan de autoriteiten kunnen menen dat hij die aanhangt. De staatssecretaris heeft in dit geval echter het hiervoor genoemde beoordelingskader toegepast, in navolging van de jurisprudentie de Afdeling. Hij heeft de vraag of er van een dergelijke bekering sprake was ontkennend beantwoord en de weigering van de asielaanvraag op dat ontkennende antwoord gebaseerd. Dat maakt naar het oordeel van de rechtbank dat het besluit genomen is op onjuiste gronden. Beroep gegrond maar instandlating rechtsgevolgen omdat niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer in Irak te vrezen heeft voor vervolging vanwege zijn godsdienst.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen