Rb. Den Haag 3 juli 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:10302
Kort geding. Tenuitvoerlegging Poolse gevangenisstraf van twee jaar onvoorwaardelijk in Nederland. Voorwaardelijke invrijheidstelling. Gratieverzoek. De Staat heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid kunnen oordelen dat ten tijde van de strafovername van eiseres niet zeker of in grote mate waarschijnlijk was of zij in Polen voorwaardelijk in vrijheid zou worden gesteld en zo ja wanneer. De Staat handelt dan ook niet onrechtmatig door de strafovername van eiseres als peilmoment te nemen en thans geen gebruik te maken van de afwijkingsbevoegdheid van art. 6:2:10 lid 4 Sv. Hoewel eiseres niet expliciet schorsing van detentie in afwachting van de uitkomst van haar gratieverzoek heeft verzocht, had de Staat haar verzoek tot onmiddellijke invrijheidstelling, dat min of meer gelijktijdig met de indiening van het gratieverzoek is gedaan, als zodanig dienen op te vatten. De voorzieningenrechter houdt het er dan ook voor dat de minister heeft geweigerd van zijn schorsingsbevoegdheid gebruik te maken. Dat is wel onrechtmatig jegens eiseres, omdat als er wel zou zijn beslist in dit bijzonder sprekende geval in redelijkheid geen andere rechtmatige beslissing zou kunnen zijn genomen dan schorsing van de detentie van eiseres totdat op haar gratieverzoek is beslist. Daartoe geldt dat hoogst onwaarschijnlijk is dat een beslissing op het gratieverzoek wordt genomen vóór de einddatum van de detentie van eiseres en dat het (in ieder geval deels) aan de Staat te wijten is dat eiseres niet eerder een gratieverzoek heeft ingediend, omdat haar ten onrechte in het vooruitzicht was gesteld dat zij 8 maanden eerder in vrijheid zou worden gesteld dan uiteindelijk werkelijk het geval bleek. Daarnaast is hoogstwaarschijnlijk dat het gratieverzoek van eiseres zal worden toegewezen. Hierbij weegt mee dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter hoogstwaarschijnlijk is dat eiseres – indien zij haar straf in Polen had uitgezeten – reeds in vrijheid zou zijn gesteld. Gelet op de bijzondere omstandigheden in deze zaak dient de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf van eiseres te worden geschorst totdat op haar gratieverzoek is beslist. Toewijzing vordering.
De uitspraak op rechtspraak.nl