Rb. Den Haag 6 juni 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:9467
Verweerder heeft de waarde van de onroerende zaak op waardepeildatum 1 januari 2020 vastgesteld op € 288.000. Bij uitspraak op bezwaar heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard en de aanslag onroerende-zaakbelastingen gebruiker vernietigd, omdat eiseres op 1 januari 2021 geen gebruiker meer was van het pand. Eiseres had niet tijdig haar inschrijving in het Handelsregister aangepast en verweerder niet op de hoogte gesteld van het einde van het gebruik. Het verzoek om een kostenvergoeding in bezwaar heeft verweerder afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder van de gegevens in het Handelsregister mocht uitgaan en hiermee aan zijn onderzoeksplicht heeft voldaan. Het bestreden besluit is niet herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid, zodat verweerder terecht geen kostenvergoeding heeft toegekend. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wijst de rechtbank af, omdat op grond van de algemene voorwaarden van de gemachtigde deze vergoeding toekomt aan de gemachtigde en niet aan eiseres, zodat het toekennen van de vergoeding voor eiseres geen compensatie vormt. Beroep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl