Rb. Den Haag 6 juni 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:9462
Eiseres is zowel eigenaar als gebruiker van de onroerende zaak. In één geschrift met de WOZ-beschikking is ook de aanslag onroerende-zaakbelastingen eigenaar (OZBE) aan eiseres opgelegd. De aanslag onroerende-zaakbelastingen gebruiker (OZBG) is pas 13 maanden later aan eiseres opgelegd. Na het opleggen van de aanslag OZBG maakt eiseres tegen de beschikking bezwaar. De rechtbank is van oordeel dat eiseres bij het ontvangen van de beschikking en de aanslag OZBE op de hoogte was van de waarde van de onroerende zaak en hier binnen zes weken bezwaar tegen had kunnen maken. Het opleggen van de aanslag OZBG op een later tijdstip gaat volgens de rechtbank niet in tegen hetgeen in artikel 24, negende lid, van de Wet WOZ is bepaald. Er is geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding. De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn af, omdat op grond van de algemene voorwaarden van de gemachtigde deze vergoeding toekomt aan de gemachtigde en niet aan eiseres, zodat het toekennen van de vergoeding voor eiseres geen compensatie vormt. Beroep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl