Rb. Den Haag 7 maart 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:2914

Verklaring voor recht dat onderdeel i van bepaling A van de huwelijkse voorwaarden van partijen dat ziet op het geval dat de vrouw geen aanspraak heeft op de helft van het vermogen van de man ingeval zij het verzoek tot echtscheiding indient, in de situatie van partijen geen resultaat oplevert dat onverenigbaar is met de openbare orde, zodat op grond van de huwelijkse voorwaarden de aanspraak van de vrouw op het vermogen van de man vervalt, gelet op het feit dat zij het verzoek tot echtscheiding heeft ingediend; Bepaling dat ter zake de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, in het bijzonder de bruidsgave, de man een bedrag van 40.000.265,50 en 150 volle Bahar-Azadi gouden munten aan de vrouw dient te betalen c.q. over te dragen, waarvan 40 Bahar-Azadi gouden munten pas aan de vrouw behoeven te worden overgedragen, zodra de man daartoe (weer) voldoende draagkracht heeft.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken