Rb. Den Haag 22 februari 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:2450
Verweerder heeft op goede gronden vastgesteld dat van verblijfsrecht van eiseres als familielid van een tot gemeenschapsonderdaan aangemerkte Nederlander nooit sprake is geweest en dat daaropvolgend ook het duurzaam verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan nooit heeft bestaan. Met inachtneming van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie is de rechtbank echter van oordeel dat verweerder niet heeft kunnen volstaan met de motivering dat hij niet is gehouden te beoordelen of eiseres in aanmerking komt voor een verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU, omdat de kinderen van eiseres inmiddels meerderjarig zijn en zij nooit gedwongen zijn geweest de Europese Unie te verlaten. Verweerder heeft ten onrechte niet onderzocht of sprake is (geweest) van een dusdanige afhankelijkheidsverhouding tussen eiseres en haar Nederlandse zonen op grond waarvan verblijf in Nederland noodzakelijk moet worden geacht. Eiseres heeft belang bij deze beoordeling omdat als verweerder tot de vaststelling zou komen dat daarvan sprake is, daar op grond van het arrest van het Hof van 7 september 2022 verblijf als langdurig ingezetene uit zou kunnen volgen.
De uitspraak op rechtspraak.nl