Rb. Den Haag 1 september 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:13035
De rechtbank is van oordeel dat verweerder bevoegd is om de tijdelijke bescherming voor derdelanders met tijdelijk verblijfsrecht in Oekraïne te beëindigen. Deze groep is niet aangewezen door de Europese Unie als groep die tijdelijke bescherming moet krijgen. De bescherming die Nederland aan deze groep heeft geboden is dus facultatief. Nederland mag ook beslissen deze bescherming weer te beëindigen, daarmee wordt geen afbreuk gedaan aan de werking van het Unierecht. Artikel 6 van de Richtlijn tijdelijke bescherming bepaalt weliswaar dat de tijdelijke bescherming wordt beëindigd door besluit van de Raad van de Europese Unie, maar naar het oordeel van de rechtbank moet dit gelezen worden als een bepaling over hoe de tijdelijke bescherming in zijn totaliteit (in de eerste plaats de door de Europese Unie aangewezen groepen) wordt beëindigd en niet als een voorschrift dat beperkingen stelt aan de beëindiging van facultatieve bescherming. De rechtbank ziet ook niet in waarom de Raad van de Europese Unie een besluit tot beëindiging van tijdelijke bescherming zou moeten nemen, als de Raad die tijdelijke bescherming überhaupt niet nodig heeft gevonden. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder met het bestreden besluit in strijd met het Unierechtelijk rechtszekerheidsbeginsel heeft gehandeld. Toen eiser zich bij verweerder meldde kon het hem al duidelijk zijn dat hij niet langer onder de groep viel aan wie tijdelijke bescherming werd geboden. Hem is toch tijdelijke bescherming geboden omdat hij eerder al ingeschreven stond in de BRP, maar het kon hem ook al duidelijk zijn dat de regeling was gewijzigd en dat dat gevolgen zou hebben voor zijn tijdelijke bescherming. Dat heeft verweerder ook aan eiser laten weten. Het belang van de rechtszekerheid is daarnaast gediend door de bescherming na wijziging van het Voorschrift Vreemdelingen niet onmiddellijk of op korte termijn te beëindigen, maar uiteindelijk uit te stellen tot 4 september 2023. Eiser heeft verder niet gerechtvaardigd kunnen vertrouwen op het ongewijzigd voortzetten van zijn tijdelijke bescherming. De bescherming is naar zijn aard tijdelijk, eiser kon dus bedacht zijn op beëindiging ervan. Een eventueel begin 2022 gewekt vertrouwen kan zich daarom niet uitstrekken tot een periode voorbij de duur van de tijdelijke bescherming van één jaar zoals die op dat moment met het Uitvoeringsbesluit was afgekondigd. Tot slot acht de rechtbank het genomen besluit niet onevenredig. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat de richtlijn tijdelijke bescherming tot doel heeft om te voorkomen dat de werking van het asielstelsel ontwricht raakt door een massale toestroom van ontheemden. De daarom geboden bescherming is per definitie tijdelijk, uiteindelijk moet de tijdelijke bescherming uitmonden in ofwel terugkeer naar land van herkomst of Oekraïne ofwel een verblijfsprocedure in Nederland. Verder heeft verweerder in de druk op de gemeentelijke opvang mede aanleiding kunnen zien om de omvang van de tijdelijke bescherming te beperken. Natuurlijk klopt het dat met de beëindiging van de tijdelijke bescherming de druk op de asielketen juist kan toenemen, maar het staat niet vast dat iedere derdelander van wie de tijdelijke bescherming wordt beëindigd ook een asielwens heeft. Het besluit is voorts wel ingrijpend voor de rechten van eiser, maar daar staat tegenover dat deze rechten hoe dan ook slechts voor beperkte tijd zouden gelden en dat eiser een verblijfsprocedure in Nederland kan doorlopen als hij daartoe aanleiding ziet.
De uitspraak op rechtspraak.nl