Rb. Den Haag 29 augustus 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:12321

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat artikel 3.29, eerste lid, van de Wsf 2000 niet van toepassing is op onderhavige situatie. Artikel 3.29 van de Wsf 2000 is bedoeld voor studenten aan wie wel studiefinanciering is toegekend maar aan wie niet tevens – tijdig – een reisrecht ter beschikking is gesteld. In het geval van eiser is daarvan geen sprake. Dat verweerder in het verleden in andere vergelijkbare zaken wel is overgegaan tot het vergoeden van schade op grond van artikel 3.29 van de Wsf 2000, maakt niet dat verweerder gehouden is om dat ook in deze zaak te doen. Eiser heeft in de aanvullende gronden nog aangevoerd dat sprake is van een onrechtmatig besluit, omdat verweerder in de bodemprocedures tot een vergoeding van de proceskosten is overgegaan. Ook heeft eiser verwezen naar hetgeen is overwogen in ECLI:NL:CRVB:2021:753 over de economische waarde van het reisrecht. Voor zover eiser hiermee bedoeld heeft een beroep te doen op artikel 8:88 van de Awb, slaagt dit niet. Eiser heeft in het bezwaarschrift immers aangegeven dat hij geen reiskosten heeft gemaakt, zodat geen sprake is van door eiser geleden schade. Gelet hierop kan in het midden blijven of sprake is van een onrechtmatig besluit.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken