Rb. Den Haag 27 juni 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:6168

Eiser is in België veroordeeld. Op grond van de WETS heeft Nederland de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf overgenomen. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij in België in aanmerking zou zijn gekomen voor v.i. na het ondergaan van 1/3 van de straf. De Staat stelt zich op het standpunt dat de Nederlandse v.i.-regeling op eiser van toepassing is, waarbij eiser na het ondergaan van 2/3 van de opgelegde gevangenisstraf in aanmerking zou kunnen komen voor v.i. De voorzieningenrechter beveelt de Staat om met betrekking tot eiser binnen drie maanden na vandaag opnieuw te beslissen over gebruikmaking van de in artikel 6:2:10 lid 4 Sv gegeven bevoegdheid. De minister heeft in de zaak van eiser in redelijkheid niet kunnen komen tot de weigering om van die bevoegdheid gebruik te maken. Dat de minister niet in staat is met behulp van Belgische autoriteiten voldoende informatie te verzamelen of te beoordelen of er voldoende basis is gebruik te maken van de toegekende discretionaire bevoegdheid van artikel 6:2:10 lid 4 Sv, betekent niet dat hij zonder meer mag weigeren gebruik te maken van die bevoegdheid. Het is de verantwoordelijkheid van de Staat ervoor zorg te dragen dat hij in staat is een gemotiveerde inschatting te maken – of een door hem ingeschakelde deskundige die inschatting te doen maken – van de kans dat eiser in aanmerking zou zijn gekomen voor toepassing van de Belgische v.i.-regeling.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken