Rb. Den Haag 7 juni 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:5791
Zorgmachtiging. Artikel 1.7 Wvggz. De advocaat heeft verzocht om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren. Volgens de advocaat had er voor betrokkene, die wilsonbekwaam wordt geacht, eerst een wettelijk vertegenwoordiger aangesteld moeten worden. De rechtbank overweegt als volgt. Blijkens de medische verklaring staat vast dat de onafhankelijk psychiater betrokkene niet in staat acht tot een redelijke waardering van haar belangen ter zake van de voorgenomen verplichte zorg. Nu betrokkene als wilsonbekwaam moet worden aangemerkt, dient op grond van de Wvggz een vertegenwoordiger op te treden die de belangen van betrokkene kan behartigen. Weliswaar blijkt het uit zorgplan dat een of meer broers van betrokkene geïnformeerd worden over mogelijke opnames of noodsituaties, maar daaruit kan onvoldoende worden afgeleid dat deze broers optreden als vertegenwoordiger in de zin van de wet. Dit vormt echter geen beletsel voor het indienen van het onderhavige verzoek. De waarborg dat bij de behandeling van het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging de belangen van betrokkene worden behartigd, is immers gelegen in artikel 1.7 Wvggz, ingevolge welke bepaling de rechter een last tot toevoeging van een advocaat aan de betrokkene geeft. De rechtbank verklaart de officier van justitie ontvankelijk in zijn verzoek.
De uitspraak op rechtspraak.nl