Rb. Den Haag 12 mei 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:5703

Eiser bevond zich op een schip dat vanuit Vlissingen via de Noordzee de haven van Amsterdam is binnen gevaren. Verweerder heeft in Amsterdam de toegang geweigerd. De rechtbank oordeelt dat verweerder in dit geval een grenscontrole heeft mogen uitvoeren, maar dat eiser de toegang ten onrechte is geweigerd. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser het doel en de omstandigheden van zijn voorgenomen verblijf niet had aangetoond, omdat hij niet zou hebben aangetoond dat hij op korte termijn zou vertrekken. Ondanks dat eiser niet in het bezit was van een vliegticket heeft hij namelijk voldoende andere bewijsmiddelen overgelegd om dit aan te tonen. Ook heeft verweerder ten onrechte tegengeworpen dat eiser een gevaar zou zijn voor de volksgezondheid. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser aangetoond dat hij als zeevarende is uitgezonderd van de inreisbeperkingen als gevolg van de Covid-19 maatregelen. Beroep gegrond, de rechtbank ziet aanleiding om zelf te voorzien.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken