Rb. Den Haag 22 april 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:3777

Deze zaak gaat – in navolging op de uitspraak van vandaag in de zaak NL21.11403 - over de vraag of de afschaffing van rechterlijke dwangsom in asielzaken, zoals dit is bewerkstelligd met de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND (de Tijdelijke wet), in strijd is met het Unierechtelijke gelijkwaardigheidsbeginsel en artikel 47 van het Handvest. De rechtbank oordeelt dat hiervan sprake is en dat artikel 1 van de Tijdelijke wet daarom niet alleen onverbindend is voor zover de bestuurlijke dwangsomregeling daarbij is afgeschaft, maar ook voor zover daarbij de rechterlijke dwangsom is afgeschaft. Sinds de inwerkingtreding van artikel 1 van de Tijdelijke wet kan de rechtbank verweerder nog steeds een termijn geven voor het nemen van een besluit op grond van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb. Het is alleen niet mogelijk om daaraan, als verweerder niet aan die opdracht voldoet, een rechterlijke dwangsom te verbinden. Onder verwijzing naar haar uitspraak van heden in de zaak NL21.11403, acht de rechtbank artikel 1 van de Tijdelijke wet óók in strijd met het Unierechtelijke gelijkwaardigheidsbeginsel, voor zover het op grond van dit artikel niet langer mogelijk is om een rechterlijke dwangsom te verbinden aan de opdracht van de rechtbank aan verweerder om alsnog een besluit te nemen. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat artikel 1 van de Tijdelijke wet, voor zover daaruit volgt dat de rechtbank geen rechterlijke dwangsom kan opleggen als verweerder niet voldoet aan de opdracht om binnen een bepaalde termijn een besluit te nemen, in strijd is met het in artikel 47 van het Handvest neergelegde recht op een doeltreffende voorziening in rechte. Reden daarvoor is dat de Tijdelijke wet het recht op een doeltreffende voorziening in rechte beperkt. Op grond van artikel 52, eerste lid, van het Handvest is een dergelijke beperking onder voorwaarden toegestaan. In dit geval is de beperking weliswaar gesteld bij wet, maar de wetgever eerbiedigt met het buiten werking stellen van de rechterlijke dwangsom, zonder daarvoor een andere voorziening te treffen, de wezenlijke inhoud van het recht naar het oordeel van de rechtbank niet. Daarbij komt dat naar het oordeel van de rechtbank niet valt in te zien op welke wijze het afschaffen van de rechterlijke dwangsom noodzakelijk zou zijn en daadwerkelijk zou beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. De afschaffing van de rechterlijke dwangsom is veeleer ingegeven uit motieven van kostenbesparing en doet in verregaande mate afbreuk aan de doeltreffendheid van het rechtsmiddel dat vreemdelingen hebben om besluitvorming af te dwingen wanneer verweerder in gebreke blijft een besluit te nemen, zelfs wanneer verweerder hiertoe (nogmaals) is opgedragen door de rechter. Het beroep is gegrond en de rechtbank stelt desgevraagd de bestuurlijke dwangsom vast op € 1.442,00. Daarnaast draagt de rechtbank verweerder op om binnen acht weken na de bekendmaking van de uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag te nemen. Tot slot bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser een dwangsom verbeurt van € 100,00 per dag, voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,00.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken