Rb. Den Haag 8 april 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:3344
De rechtbank stelt vast dat artikel 62, eerste lid, Vw en artikel 8.24, derde lid, van het Vb evident in strijd zijn met artikel 30, derde lid, van de Verblijfsrichtlijn. Een vertrektermijn van ‘vier weken’ is niet gelijk te stellen aan een vertrektermijn van ‘een maand’. Dit volgt uit de definitie gegeven in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder c, van de Euratom Verordening. Nu in artikel 30, derde lid, van de Richtlijn is bepaald dat de vertrektermijn minstens ‘een maand’ moet zijn, en dit een bindende bepaling is, stelt de rechtbank vast dat dit artikel van de Verblijfsrichtlijn niet correct is omgezet in het nationale recht.
De uitspraak op rechtspraak.nl