Rb. Den Haag 24 maart 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:2681

Verweerder stelt zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt dat het asielrelaas onvoldoende zwaarwegend is om te spreken van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Verweerder had echter volgens de rechtbank de asielaanvraag niet mogen afwijzen als kennelijk ongegrond en eiser een vertrektermijn mogen onthouden. Volgens de rechtbank heeft verweerder daaraan ten onrechte ten grondslag gelegd dat eiser zich te kwader trouw zou hebben ontdaan van een document dat ertoe kan bijdragen zijn identiteit vast te stellen. Los van de vraag of eiser zijn paspoort te kwader trouw in Spanje heeft achtergelaten, staat eisers identiteit op basis van andere gegevens voldoende vast. Er is namelijk een EU-vis hit waaruit blijkt dat eiser in 2019 een visum voor Spanje heeft verkregen. Verweerder gaat normaliter uit van de juistheid van de gegevens uit EU-vis, deze gegevens komen overeen met de verklaringen die eiser zelf heeft afgelegd én het door hem overgelegde kopie van het paspoort. Verweerder heeft kennelijk ook geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de identiteit van eiser, omdat de identiteit en nationaliteit van eiser geloofwaardig zijn geacht. Beroep gegrond. De rechtbank voorziet zelf in de zaak en wijst de asielaanvraag af als ongegrond met een vertrektermijn van vier weken.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken