Rb. Den Haag 23 december 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:14057
De nareismaatregel kan in een procedure tegen de inwilliging van de mvv worden aangevochten. De mededeling dat het toegelaten gezinslid pas over een aantal maanden een afspraak kan maken voor de afgifte van een mvv (de nareismaatregel) houdt onlosmakelijk verband met de toegang, want die belet het gezinslid tijdelijk gebruik te maken van de mvv. Het heeft dus rechtsgevolg en is geen feitelijke mededeling. De rechtbank is van oordeel dat de nareismaatregel in strijd is met de Vw 2000. Artikel 2r van de Vw 2000 bepaalt namelijk dat een mvv tot uiterlijk drie maanden na de dagtekening van de kennisgeving, dat is het inwilligende besluit op de mvv, kan worden afgegeven. De wetstekst biedt dus geen ruimte voor een verplichte wachttermijn na inwilliging van een mvv-aanvraag. De lezing van de staatssecretaris van deze wetstekst ligt niet voor de hand. Deze is in strijd met het doel van de wetgever. Ook is deze in strijd met de Gezinsherenigingsrichtlijn omdat deze in artikel 13 voorschrijft dat de lidstaat het gezinslid de toegang tot de lidstaat toestaat, zodra het verzoek om gezinshereniging is aanvaard. Daarmee is een tijdsbepaling gegeven. Ook wordt met de nareismaatregel niet alle medewerking verleend, als bedoeld in dit artikel. Tot slot volgt de rechtbank het standpunt niet dat de nareismaatregel een rechtvaardiging vindt in een hogere rechtsnorm. Het beroep is gegrond en het deel van het besluit waarin de nareismaatregel is opgenomen wordt vernietigd. De rechtbank zal zelf voorzien en bepalen dat de staatssecretaris binnen twee weken de gevraagde mvv verleent.
De uitspraak op rechtspraak.nl