Rb. Den Haag 12 oktober 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:13309

De procedure gaat over een Srilankaanse Tamil, die stelt dat hij problemen heeft gekregen, omdat zijn oudste broer bij de inlichtingendienst van de LTTE heeft gewerkt en informatie over de EPDP heeft doorgegeven aan de LTTE. De rechtbank concludeert dat verweerder eisers relaas niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Het iMMO rapport maakt dat niet anders, omdat eiser zelf steeds heeft gezegd dat hij niet over meer informatie beschikt en dat hij uitgebreid en niet vaag heeft verklaard en omdat het iMMO niet nadrukkelijk heeft aangegeven op welke onderdelen van het relaas de geconstateerde beperkingen zouden zien. Ook kunnen de diverse door eiser overgelegde documenten niet worden opgevat als een onderbouwing van zijn relaas. Ook het bij eiser geconstateerde letsel leidt niet tot een ander oordeel, omdat verweerder eisers verklaringen niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft gevonden en het iMMO niet kan uitsluiten dat de geconstateerde littekens en psychische problematiek een of meer andere oorzaken heeft. Eiser komt daarom niet op grond van zijn relaas in aanmerking voor een asielvergunning. Verweerder had echter wel onderzoek moeten doen naar enkele van de door het EHRM benoemde risicofactoren, die zich hier voordoen; namelijk dat eiser littekens heeft, dat hij eerder is gedeporteerd naar Sri Lanka en bij aankomst is gearresteerd en gedetineerd, waarna hij op borgtocht is vrijgelaten. Verweerder had moeten beoordelen of gezien deze risicofactoren er aanleiding bestaat om ervan uit te gaan dat er een reëel risico op ernstige schade is.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken