Rb. Den Haag 28 juli 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:8654

Eiser is een jonge man en heeft de Afghaanse nationaliteit. Bij terugkeer naar Afghanistan heeft hij te vrezen voor de Taliban. Eiser is afkomstig uit de provincie Logar en heeft verklaard dat zijn vader voor de overheid en voor buitenlandse organisaties in Afghanistan werkte. Hoewel hiervoor is overwogen dat verweerder het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig heeft mogen achten, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte geen beoordeling heeft gemaakt van de algemene veiligheidssituatie in Afghanistan en met name de provincie Logar. De rechtbank is van oordeel dat hiermee sprake is van een motiveringsgebrek. Verweerder heeft in het bestreden besluit niet betrokken dat eiser jong is, dat hij uit de provincie Logar komt en uit landeninformatie volgt dat er aanwijzingen zijn dat de algemene veiligheidssituatie in Afghanistan is verslechterd en dat de Taliban in Afghanistan oprukt. De enkele verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van januari 2020 kan hieraan niet afdoen, nu de situatie sindsdien is gewijzigd door het terugtrekken van de internationale strijdkrachten uit Afghanistan. Dit heeft eiser onderbouwd met de in beroep overgelegde landeninformatie. Daarnaast is door eiser gewezen op een EASO-rapport van december 2020 waaruit volgt dat de provincie Logar tot de tien onveiligste provincies van Afghanistan behoort waar veel willekeurig geweld voorkomt. Verweerder had daarom niet kunnen volstaan met de enkele verwijzing naar het ongeloofwaardig geachte asielrelaas. Daarnaast heeft verweerder in de besluitvorming ten onrechte niet betrokken dat eiser stelt dat hij vanwege de werkzaamheden van zijn vader gevaar loopt. Weliswaar heeft eiser dit ten tijde van de gehoren niet concreet als asielmotief naar voren gebracht, maar eiser heeft van meet af aan verklaard dat zijn vader werkte voor de overheid en voor internationale bedrijven en dat zijn vader problemen heeft gekregen met de Taliban. Nu eiser ten tijde van het nader gehoor net 16 jaar was geworden, had verweerder de verklaringen van eiser in een breder context moeten beoordelen, in het licht van wat uit landeninformatie bekend is over personen die geassocieerd worden met de internationale gemeenschap en het op dat moment geldende beleid zoals neergelegd in WBV 2019/11. Daarin is opgenomen dat burgers die geassocieerd worden met – of die beschouwd worden als ondersteunend aan – de Afghaanse regering, pro-regering gewapende groepen, het Afghaanse maatschappelijk middenveld en de internationale gemeenschap in Afghanistan, waaronder internationale strijdkrachten, en dientengevolge extra risico lopen op gericht geweld van met name de Taliban en ISKP, als risicogroep worden aanmerkt. Daarnaast heeft verweerder niet onderbouwd dat alleen personen die recent voor westerse bedrijven of de internationale gemeenschap hebben gewerkt risico lopen. Dit volgt evenmin uit voornoemd beleid zoals thans is weergegeven in paragraaf C2/3.2 van de Vc. Voor zover verweerder zich op het standpunt stelt dat de aard van de werkzaamheden van eisers vader niet maakt dat hij een risico zou lopen, volgt de rechtbank dit evenmin. Zonder nader onderzoek naar de werkzaamheden van eisers vader, kan deze stelling niet gevolgd worden, in het licht van voornoemde landeninformatie en het beleid. Eiser heeft ook gewezen op het rapport van de UK Home Office van juni 2020 waarin staat dat burgers die geassocieerd worden met de overheid, het maatschappelijk middenveld of de internationale gemeenschap in Afghanistan, of deze vermeend ondersteunen, worden onderworpen aan intimidatie, bedreigingen, ontvoeringen en doelgerichte aanvallen door anti-gouvernementele organisaties. Voor zover verweerder zich op het standpunt stelt dat eiser, als kind van zijn vader, niet tot een risicogroep behoort of dat niet reeds sprake is van een risico voor eiser zelf, overweegt de rechtbank als volgt. Dat gezinsleden, in dit geval het kind, van iemand die in de negatieve belangstelling kan staan, zelf niet tot een risicogroep zou behoren, impliceert niet zonder meer dat het kind geen risico loopt vanwege de werkzaamheden van zijn vader. De rechtbank verwijst in dit verband op de door eiser ingebrachte informatie, waarin wordt verwezen naar een de UNHCR Guidelines van 30 augustus 2018. Daarin staat dat familieleden van mensen die geassocieerd worden met de overheid of de internationale gemeenschap doelwit zijn van de ‘anti-government elements’. Het beroep is gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken