Rb. Den Haag 25 juni 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:6375
Minister van Buitenlandse Zaken moet in een paspoortzaak de evenredigheid van het automatisch verlies van de Nederlandse nationaliteit ook beoordelen als de betrokkene op dat moment nog de Britse nationaliteit had Waar gaat deze zaak over? Deze zaak gaat over A. Zij wil een Nederlands paspoort. De minister van Buitenlandse Zaken (minister) heeft dit afgewezen. In december 2017 heeft A. namelijk automatisch de Nederlandse nationaliteit veroren. Dit volgt uit de Rijkswet op het Nederlanderschap. Volgens de minister hoeft hij niet te beoordelen of dit verlies in overeenstemming is met het Europeesrechtelijke evenredigheidsbeginsel. A. had in december 2017 namelijk de Britse nationaliteit en dus de nationaliteit van een andere EU-lidstaat. Zij verloor toen dus niet het Unieburgerschap. Dit was toen ook niet voorzienbaar omdat de Brexitonderhandelingen nog volop in gang waren. De minister vindt hiervoor steun in het arrest Tjebbes van de Europese rechter in Luxemburg (arrest van 12 maart 2019, C-221/17), zoals de hoogste Nederlandse bestuursrechter dat heeft uitgelegd (uitspraak van 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:423). Wat vindt de rechtbank? Geen prejudiciële vraag over gevolgen Brexit voor Unieburgerschap In de uitspraak van vandaag beantwoordt de rechtbank allereerst de voorvraag of Britten op 1 januari 2021 - door de Brexit - het Unieburgerschap hebben verloren. Dat doet zij zonder hierover een prejudiciële vraag aan de Europese rechter in Luxemburg te stellen. De rechtbank twijfelt er namelijk niet over dat Britten per 1 januari 2021 geen Unieburgers meer zijn. Zij beantwoordt de voorvraag dus bevestigend. Ook kijken naar datum besluitvorming in de paspoortzaak Daarnaast oordeelt de rechtbank dat de minister ten onrechte alleen kijkt naar het verliesmoment van de Nederlandse nationaliteit voor de vraag of hij de evenredigheid van dat verlies moet beoordelen. Die vraag gaat namelijk over de toepasselijkheid van EU-recht. En hiervoor moet de minister in een paspoortzaak ook kijken naar de feiten die bij de besluitvorming in zo’n zaak bekend zijn. Alleen dan kan hij namelijk de volle werking van het EU-recht garanderen. Het arrest Tjebbes en de uitspraak van de hoogste Nederlandse bestuursrechter brengen de rechtbank niet op andere gedachten. In de zaak van A. lag het Brexitvoornemen er al toen zij in december 2017 de Nederlandse nationaliteit verloor. Verder was de Brexit bij de besluitvorming in deze paspoortzaak al een feit. De minister wist dit. Hoewel A. in december 2017 het Unieburgerschap nog niet had verloren, wist de minister bij die besluitvorming dat zij dit burgerschap op 1 januari 2021 zou verliezen. Dit alles maakt dat op de situatie van A. het EU-recht van toepassing is. De minister had dus de evenredigheid van het verlies van de Nederlandse nationaliteit moeten beoordelen. Conclusies De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit op bezwaar. De minister moet in een nieuw besluit op bezwaar alsnog de evenredigheid van het verlies van de Nederlandse nationaliteit beoordelen. De uitspraak van vandaag betekent dus niet dat A. zonder meer die nationaliteit terugkrijgt.
De uitspraak op rechtspraak.nl