Rb. Den Haag 9 juni 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:6287

Mvv-aanvraag voor verblijf als familie- of gezinslid van een ongewenst verklaarde vreemdeling ambtshalve aangemerkt als een verzoek om opheffing van de ongewenstverklaring. Toepasselijkheid van het Unierechtelijk openbare-orde-criterium. Gezinsherenigingsrichtlijn en openbare-orde-toets. Geen bijzondere omstandigheden: geen schending artikel 8 van het EVRM. Toepasselijkheid van het Unierechtelijk openbare-orde-criterium. De rechtbank volgt eisers niet in hun betoog dat de staatssecretaris bij de opheffing van eisers ongewenstverklaring had moeten toetsen aan het Unierechtelijk openbare-orde-criterium. Bij dit oordeel is allereerst van belang dat eiser ten tijde van zijn ongewenstverklaring onder de Dublinverordening viel en om die reden aan Duitsland is overgedragen, waardoor hij toen niet onder de werkingssfeer van de Terugkeerrichtlijn viel (vergelijk ECLI:NL:RBAMS:2017:102 en ECLI:NL:RVS:2011:BR2122). Daarna is eiser vanuit Duitsland naar Marokko teruggekeerd waar hij nu nog steeds verblijft, waardoor eiser ook nu niet onder de Terugkeerrichtlijn valt. Daar komt bij dat het hier gaat om een verzoek om opheffing van de ongewenstverklaring. Daarvoor geldt op grond van artikel 6.6 Vb 2000 een ander toetsingskader dan voor de oplegging van een ongewenstverklaring. Als eiser het niet eens was met de ongewenstverklaring, had hij daar destijds rechtsmiddelen tegen kunnen aanwenden. Gezinsherenigingsrichtlijn en openbare-orde-toets Tijdens de zitting hebben eisers betoogd dat het verzoek om opheffing van de ongewenstverklaring is gekoppeld aan de aanvraag voor verblijf als familie- of gezinslid bij referente. Hierdoor is de Gezinsherenigingsrichtlijn van toepassing en ook om die reden moet volgens eisers aan het Unierechtelijk openbare-orde-criterium worden getoetst. Ook in dit betoog volgt de rechtbank eisers niet. Gelet op het arrest G.S. (ECLI:EU:C:2019:1072) en de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2069), is het Unierechtelijk openbare-orde-criterium niet van toepassing in zaken die vallen onder de reikwijdte van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Wel moet rekening worden gehouden met het evenredigheidsbeginsel en moet een individuele beoordeling op grond van artikel 17 Gezinsherenigingsrichtlijn plaatsvinden. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris heeft mogen vinden dat de veroordeling tot zes weken gevangenisstraf wegens diefstal met geweld in vereniging voldoende ernstig is om uitsluiting van het verblijf van eiser noodzakelijk te achten. De rechtbank wijst er daarbij ook op dat eiser nadien ook nog is veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden voor diefstal in vereniging. De rechtbank vindt ook dat de staatssecretaris zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de individuele omstandigheden en daarmee een individuele beoordeling als bedoeld in artikel 17 Gezinsherenigingsrichtlijn heeft gemaakt

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken