Rb. Den Haag 30 april 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:5727
In deze uitspraak beantwoordt de rechtbank de vraag of ontheffing alleen kan worden verleend als het inburgeringsexamen niet kan worden behaald vanwege (kort gezegd) de medische situatie van de verzoeker om naturalisatie zelf, of ook als medische belemmeringen bij anderen dan die verzoeker in de weg staan aan het behalen van dat examen. De rechtbank is van oordeel dat artikel 4, onder a, van het BNT redelijkerwijs zo moet worden uitgelegd dat ontheffing alleen kan worden verleend als het gaat om “een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap” van de verzoeker om naturalisatie zelf. De rechtbank vindt bevestiging voor deze uitleg in de Nota van Toelichting bij het BNT. De rechtbank vindt verdere steun voor deze uitleg in paragraaf 2.3.2 van de Handleiding, dat gaat over de ontheffing op grond van een psychische of lichamelijke beperking. Die kan enkel zo worden gelezen dat ontheffing kan worden verleend als de verzoeker zelf een medische belemmering heeft. Een verdere bevestiging ziet de rechtbank in paragraaf 1.4 van het Protocol medische advisering 2014, in Bijlage 4 bij de Regeling inburgering. De rechtbank heeft verder overwogen dat verweerder zich terecht op het standpunt dat de omstandigheid dat eiseres in de verblijfsrechtelijke procedure is ontheven van het inburgeringsexamen (op welke grond ook), niet betekent dat zij ook in naturalisatieprocedure automatisch daarvan kan worden ontheven.
De uitspraak op rechtspraak.nl