Rb. Den Haag 26 mei 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:5675
Intrekking verblijfsvergunning bij partner, schijnrelatie, onderzoek, 8:29, anonieme melding, tegenstrijdigheden, beroep gegrond, zelf voorzien. Verweerder heeft de verblijfsvergunning (verblijf bij partner) van eiser ingetrokken omdat na onderzoek is gebleken dat sprake is van een schijnrelatie. De intrekking van een verblijfsvergunning is een belastend besluit, zodat de bewijslast dat sprake is van een schijnrelatie op verweerder rust. Uit artikel 16, vierde lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn volgt dat er, voordat verweerder een specifiek onderzoek mag instellen naar het bestaan van een schijnrelatie, een gegrond vermoeden moet zijn dat van een dergelijke relatie sprake is. Verweerder heeft aan dit onderzoek onder meer ten grondslag gelegd dat er een anonieme melding over een schijnrelatie is ontvangen. De rechtbank heeft na een procedure op grond van artikel 8:29 Awb, kennisgenomen van de melding, en geoordeeld dat deze melding niet ten grondslag heeft kunnen liggen aan het digitaal onderzoek en het huisbezoek, omdat de melding van daarna dateert. Verweerder heeft de uitkomsten van deze onderzoeken daarom niet aan het bestreden besluit ten grondslag kunnen leggen. De rechtbank overweegt echter dat verweerder, na de ontvangst van de anonieme melding, niet ten onrechte aanleiding heeft gezien om nader onderzoek te doen door eiser en referent te horen. Naar het oordeel van de rechtbank is de melding daarbij zodanig concreet dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat nader onderzoek gerechtvaardigd is. Verweerder heeft de tijdens dit gehoor afgelegde verklaringen van eiser en referent daarom wel ten grondslag kunnen leggen aan de besluitvorming. De rechtbank concludeert dat de meeste door verweerder genoemde tegenstrijdigheden ten aanzien van de duurzame en exclusieve relatie niet tegenstrijdig zijn. Ook heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat geen sprake is van een gemeenschappelijke huishouding. De tegenstrijdigheden die overblijven zien niet op essentiële onderdelen. Alles in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt eiser sinds 3 februari 2018 geen duurzame, exclusieve relatie heeft met referent en dat geen sprake is van een gemeenschappelijke huishouding. Beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en herroept het primaire besluit.
De uitspraak op rechtspraak.nl