Rb. Den Haag 4 mei 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:4912
Verweerder heeft eiseres verplicht de ZW-uitkering van ex-werknemer door te betalen. Niet in geschil is dat ex-werknemer ten tijde van de beoordeling van de re-integratie-inspanningen geen loonvormende arbeid had hervat en dat dus geen sprake is van een bevredigend resultaat. Het geschil spitst zich toe op de vraag of sprake is geweest van onvoldoende inspanningen gericht op de re-integratie in het zogenoemde eerste en tweede spoor zonder dat eiseres daarvoor een deugdelijke grond had. Naar het oordeel van de rechtbank bieden de gedingstukken voldoende steun voor het standpunt van verweerder dat eiseres onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht zonder daarvoor een deugdelijke grond te hebben. De rechtbank acht daarbij van doorslaggevend belang dat in de FML van de bedrijfsarts van 26 maart 2018 wordt vastgesteld dat ex-werknemer benutbare mogelijkheden heeft en dat hij in staat zou moeten zijn om vier uur per dag en twintig uur per week arbeid te verrichten. Dit komt geheel overeen met hetgeen de verzekeringsarts in het kader van de eerstejaars ZW-beoordeling en in zijn FML van 13 februari 2018 heeft vastgesteld. Duidelijk is dat ex-werknemer, ook volgens de bedrijfsartsen, in de periode in geding beschikte over benutbare mogelijkheden. Reeds om die reden hadden op zijn minst enige re-integratie-inspanningen in het eerste dan wel het tweede spoor verricht moeten worden. Eiseres heeft in het geheel niet onderzocht of er re-integratiemogelijkheden waren binnen het eigen bedrijf. Verder heeft zij het tweede spoor veel te laat ingezet. Het gestelde misverstand met het coachingbureau komt namelijk voor rekening en risico van eiseres en het gestelde life-event is op geen enkele wijze toegelicht dan wel onderbouwd. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat hetgeen eiseres aanvoert geen aanleiding geeft tot twijfel aan de juistheid van de rapportages van de arbeidsdeskundigen waarop verweerder de loonsanctie en het bestreden besluit heeft gebaseerd. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiseres tekort is geschoten in de inspanningen die in redelijkheid van haar verwacht mochten worden om ex-werknemer te re-integreren. De rechtbank volgt eiseres voorts niet in haar betoog dat door de gewijzigde wetgeving inzake de pensioengerechtigde leeftijd, ten tijde van het opleggen van de loonsanctie niet meer van haar verwacht kon worden dat zij re-integratie-inspanningen verrichtte. De wetswijziging waar eiseres op doelt, gold nog niet ten tijde van het primaire besluit en het bestreden besluit. Gelet hierop kon niet van verweerder verlangd worden dat bij het opleggen van de loonsanctie al rekening werd gehouden met deze wetswijziging. Tot slot overweegt de rechtbank dat aan de IVA-uitkering die inmiddels aan ex-werknemer is toegekend niet de betekenis toekomt die eiseres hieraan gehecht zou willen zien. Volgens vaste rechtspraak kunnen uit de toekenning van een IVA-uitkering aan een (ex-)werknemer geen conclusies worden getrokken ter beantwoording van de vraag of een werkgever aan zijn re-integratieverplichting heeft voldaan. Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder op juiste gronden heeft geconcludeerd dat eiseres zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, zodat terecht een loonsanctie is opgelegd. Het beroep is daarom ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl