Rb. Den Haag 25 maart 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:3940

Intrekking verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde en onbepaalde tijd. Meerdere familieleden. Verstrekken onjuiste gegevens. Vertrouwensbeginsel. Beoordeling actuele vrees voor vervolging/actueel reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Irak. Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel. Uitstel van vertrek. Artikel 8 van het EVRM. De rechtbank concludeert dat verweerder in de zaak van de nicht (eiseres) bevoegd was tot intrekking van de verblijfsvergunningen voor bepaalde en voor onbepaalde tijd. De verblijfsvergunningen zouden niet als zodanig op die naam zijn verleend als verweerder vooraf had geweten dat dit een onjuiste identiteit was. Het vertrouwensbeginsel verzet zich evenmin tegen intrekking van de verblijfsvergunningen. Daarnaast heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000. De geloofwaardig geachte elementen leiden op zichzelf bezien, maar ook in onderlinge samenhang bezien en in het licht van de aangehaalde landeninformatie over de situatie in Irak, niet tot de conclusie dat eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat zij verdragsvluchteling is of gegronde redenen heeft om aan te nemen dat zij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade. Verweerder heeft het bestreden besluit evenwel onvoldoende zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd voor wat betreft de beoordeling of aan eiseres uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000 moet worden verleend. Hoewel verweerder zich in het bestreden besluit er voldoende van heeft vergewist dat het BMA-advies van 30 september 2019 – gezien de op dát moment beschikbare medische informatie – zorgvuldig, inzichtelijk en concludent is, heeft verweerder in beroep onvoldoende gereageerd op de door eiseres in beroep overgelegde nieuwe medische informatie. Zo heeft eiseres in beroep nieuwe medische informatie overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat de bloedwaardes van eiseres elke zes weken moeten worden onderzocht, omdat haar schildklierproblematiek niet stabiel is en de dosis van het schildklierhormoon op haar bloedwaardes moet worden afgestemd. Verweerder heeft op deze nieuwe informatie in beroep echter niet gereageerd en heeft in beroep hierover ook geen standpunt ingenomen. De rechtbank stelt daarbij vast dat uit het BMA-advies niet blijkt of deze benodigde medische zorg – al dan niet op andere wijze georganiseerd – ook aanwezig is in Irak. Nu duidelijkheid op dit punt ontbreekt heeft verweerder niet mogen nalaten in beroep hierover een standpunt in te nemen. Gelet op het bepaalde in artikel 83, eerste lid, van de Vw 2000 moet de rechtbank bij de beoordeling van het beroep rekening houden met feiten en omstandigheden die na het bestreden besluit zijn aangevoerd en die relevant kunnen zijn voor het achterwege laten van de uitzetting op grond van artikel 64 van de Vw 2000. Dit betekent dat verweerder zijn standpunt dat artikel 64 van de Vw 2000 niet van toepassing is omdat in Irak de voor eiseres noodzakelijke behandeling en medicatie aanwezig is, gelet op hetgeen eiseres hieromtrent in beroep heeft aangevoerd, onvoldoende heeft gemotiveerd. Daarnaast is het bestreden besluit ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd voor wat betreft de beoordeling of aan eiseres een reguliere verblijfsvergunning wegens strijd met artikel 8 van het EVRM moet worden verleend. Zo heeft verweerder zich in zijn besluitvorming geen rekenschap gegeven van het feit dat de in Nederland overleden dochter van eiseres ook in Nederland ligt begraven, terwijl eiseres in haar zienswijze uitdrukkelijk hierop heeft gewezen. Door bij de belangenafweging dit gegeven niet kenbaar te betrekken, is het bestreden besluit ook in zoverre onzorgvuldig voorbereid. Tot slot heeft verweerder bij het bestreden besluit ook ten onrechte geen Unierechtelijke evenredigheidstoets gemaakt. Bij besluit van 21 juni 2010 is immers de wettelijke grondslag van de aan eiseres verleende verblijfsvergunning gewijzigd naar artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, zodat aan haar internationale bescherming is verleend door een subsidiaire beschermingsstatus te verlenen. Als gevolg hiervan houdt de intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd in de zaak van de nicht tevens de intrekking van de subsidiaire beschermingsstatus in, zodat verweerder in het bestreden besluit een Unierechtelijke evenredigheidsbeoordeling had moeten maken. In de besluitvorming van verweerder ontbreekt deze beoordeling evenwel, zodat het beroep om die reden gegrond is. Gelet hierop is het beroep gegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding verweerder op te dragen een nieuw besluit te nemen, nu verweerder niet verplicht is opnieuw te besluiten tot intrekking van de aan eiser verleende verblijfsvergunningen. Indien verweerder evenwel daartoe besluit, dan zal verweerder alsnog moeten beoordelen of het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel zich verzet tegen de intrekking van de verblijfsvergunningen asiel, of aan eiseres uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000 moet worden verleend én of aan eiseres wegens strijd met artikel 8 van het EVRM een reguliere verblijfsvergunning moet worden verleend.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken