Rb. Den Haag 26 maart 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:2915
Volgberoep bewaring – gevolgen te laat sluiten vooronderzoek – afwijking bestendige jurisprudentie. De rechtbank heeft niet voldaan aan de wettelijke verplichting om het vooronderzoek binnen een week na ontvangst van het beroepschrift te sluiten. De rechtbank overweegt dat - gelet op het karakter van vrijheidsontneming - er geen ruimte is voor een belangenafweging als de rechtbank niet voldoet aan de door de wet opgelegde termijnen. De rechtbank overweegt dat de gedetineerde vreemdeling wordt beschermd door artikel 5 EVRM. De rechtbank zal dan ook niet de bescherming die artikel 5 EVRM en artikel 6 Handvest, gelezen in samenhang met artikel 47 Handvest, bieden tegen een onrechtmatige inbreuk op het grondrecht op vrijheid “gebruiken” om de eigen termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. De rechtbank overweegt daarom dat het niet relevant is waarom de rechtbank niet in staat is geweest eenvoudigweg te voldoen aan de termijn die de wet haar geeft om het vooronderzoek te sluiten. Evenmin is het relevant dat deze enkele termijnoverschrijding niet zonder meer leidt tot een schending van artikel 5 EVRM. De rechtbank komt tot de conclusie dat de rechtbank bij het bieden van een voorziening in rechte om op te komen tegen de oplegging of voortduring van de maatregel van vreemdelingenbewaring gehouden is onder alle omstandigheden te handelen binnen de door de Vreemdelingenwet bepaalde concrete termijnen. Indien de rechtbank, zoals in het onderhavige geval, hier niet in slaagt dient dit dan ook gevolgen te hebben voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de detentie. De maatregel van bewaring wordt opgeheven en eiser wordt in vrijheid gesteld omdat de rechtbank het vooronderzoek niet op tijd heeft gesloten.
De uitspraak op rechtspraak.nl