Rb. Den Haag 3 februari 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:2686
Door eiseres is een bedrijfspand geleverd aan L. Hierbij is een bedrag van € 120.000 aan overdrachtsbelasting op aangifte voldaan. Medio november 2017 wordt een beroep gedaan op een ontbindende voorwaarde waardoor volgens eiseres de eigendom van het bedrijfspand weer bij haar terugkeert. Naar aanleiding van deze terug levering van het onroerend goed is aangifte voor de overdrachtsbelasting gedaan van € 0. Naar aanleiding hiervan legt verweerder een naheffingsaanslag op van € 120.000. Deze naheffingsaanslag is in geschil. In de uitspraak van 3 februari 2020 in de zaak met zaaknummer SGR 19/3969 betreffende de levering van het bedrijfspand op 14 december 2015 door eiseres aan L, heeft de rechtbank geoordeeld dat sprake is van een onvoorwaardelijke levering aan L en dat de ontbindende voorwaarde uit de notariële koopovereenkomst aangemerkt dient te worden als een obligatoire verbintenis. Verder heeft de rechtbank in die uitspraak geoordeeld dat bij die levering geen sprake is van het ontbreken van een titel. Dat betekent dat geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WBR zodat de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, letter r, van de WBR niet van toepassing is. In onderhavige procedure dient de rechtbank daarom nog uitsluitend te beoordelen of de registratie van de ‘akte inroepen van de ontbindende voorwaarde’ (de akte) een belaste verkrijging tot gevolg heeft. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat door de inschrijving van de akte een verkrijging van het bedrijfspand door eiseres, als bedoeld in artikel 2 WBR, wordt bewerkstelligd. Na de inschrijving van de akte heeft eiseres het pand bezwaard met hypotheek zodat de beschikkingsmacht ook daadwerkelijk is overgegaan op eiseres. Beroep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl