Rb. Den Haag 4 maart 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:2428

De erflaatster heeft in 2013 haar woning verkocht aan een stichting. Het statutaire doel van de stichting is het behartigen van alle vermogensrechtelijke belangen van de erflaatster. De woning is na de verkoop deels aan derden verhuurd. Eisers maken niet aannemelijk dat de woning, in weerwil van het statutaire doel van de stichting, voor de erflaatster in 2014, 2015 en 2016 geen afgezonderd particulier vermogen (APV) vormde als bedoeld in artikel 2.14a van de Wet IB 2001. Nu niet in geschil is dat de woning de erflaatster tot haar verhuizing in 2016 als hoofdverblijf ter beschikking heeft gestaan, is voldaan aan de voorwaarden van artikel 3.111, eerste lid, onder a, van de Wet IB 2001 en is de eigenwoningregeling in 2014, 2015 en 2016 van toepassing. Gelet op het bepaalde in artikel 3.113 van de Wet IB 2001 heeft verweerder bij het vaststellen van het belastbaar inkomen van de erflaatster terecht 70% van de huuropbrengsten betaald door derden in aanmerking genomen. Beroep ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen