Rb. Den Haag 16 december 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:13881

Kort geding. AASI-vordering. Internationale bevoegdheid. Amerikaanse gedaagde: artikel 7 lid 1 Rv. Vereisten van dit artikel moeten iets ruimer worden uitgelegd dan die van artikel 8 lid 1 Brussel I bis-Vo. Vorderingen tegen de ankergedaagden zijn evident kansloos voor zover het gaat om de dreiging van het instellen van een preventieve ASI met gelding buiten Nederland en België, zodat het enkel doelmatig is om bevoegdheid aan te nemen voor de (grensoverschrijdende) vorderingen gebaseerd op de dreiging van het instellen van een nakomings-ASI met gelding in Nederland en België. Ierse gedaagden: artikel 8 lid 1 Brussel I bis-Vo. Bevoegdheid voor dezelfde vorderingen. Relatieve bevoegdheid: o.b.v. artikel 80 ROW dan wel 102 Rv. Spoedeisend belang ontbreekt t.a.v. de preventieve ASI nu eiseres niets heeft gesteld waaruit volgt dat er een dreiging is dat gedaagden een preventieve ASI zullen instellen. Inhoudelijk t.a.v. nakomings-ASI. Toepasselijk recht is Nederlands dan wel Belgisch recht o.b.v. artikel 4 lid 1 Rome II. Het instellen van een nakomings-ASI naar Nederlands (en Belgische) recht is niet onrechtmatig, zodat de vorderingen worden afgewezen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken