Rb. Den Haag 20 oktober 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:13196
Mondelinge uitspraak. Tussen partijen is een overeenkomst van geldlening gesloten. Aflossing zal plaatsvinden na afronding van een vastgoedproject. Hiernaast is het geleende bedrag zonder ingebrekestelling opeisbaar indien de geldlener in betalingsmoeilijkheden verkeert. Geldlener stelt financiële problemen te hebben gehad in 2012. De geldverstrekker heeft de vordering toen niet opgeëist. Is hierdoor de vordering inmiddels verjaard? De rechtbank oordeelt van niet, nu de huidige vordering gebaseerd is op een andere grondslag, namelijk de afronding van het vastgoedproject. Geen oordeel over het al dan niet bestaan van de eerdere betalingsproblemen. Bestuurdersaansprakelijkheid wordt afgewezen. Er is geen valse voorstelling van zaken geweest. Het is niet ongebruikelijk dat een vastgoedproject in een nieuwe vennootschap wordt ondergebracht. De risico’s waren verdisconteerd in de hoge rente die voor de lening werd gerekend. Artikel 2:248 BW is niet van toepassing buiten faillissement.
De uitspraak op rechtspraak.nl