Rb. Den Haag 15 februari 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:1307
Eisers hebben de Syrische nationaliteit en zijn in 2013 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. In 2016 heeft verweerder de verblijfsvergunning ingetrokken omdat eisers hun Armeense nationaliteit hadden verzwegen en Armenië daarom voor hen als veilig derde land kon worden aangemerkt. Deze intrekking is op 27 november 2018 door de Afdeling onherroepelijk geworden. Eisers hebben op 1 juli 2019 onderhavige opvolgende aanvraag ingediend. Daarbij hebben zij verzocht de eerdere intrekkingsbesluiten te heroverwegen. Verweerder heeft de aanvraag niet-ontvankelijk verklaard omdat er geen sprake is van nieuwe elementen of bevindingen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Het verzoek tot heroverweging heeft verweerder afgewezen. Ten aanzien van het verzoek tot heroverweging van de intrekkingsbesluiten van 28 oktober 2016 hebben eisers een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. De gemachtigde van eisers heeft uitgebreid gemotiveerd aangevoerd dat er sprake is van willekeur als het gaat om intrekkingen van verblijfsvergunningen van ‘Armeense Syriërs’, waarbij sprake is van grote overeenkomsten. Het gaat daarbij om een relatief klein aantal zaken dat door een cluster van de IND wordt behandeld. De rechtbank maakt uit de door eisers overgelegde stukken op dat een aantal feiten en omstandigheden van al deze dossiers met elkaar vergelijkbaar zijn. De rechtbank is van oordeel dat eisers hebben voldaan aan de bewijslast door 25 dossiers geanonimiseerd te overleggen, duidelijk te maken welke overeenkomsten er zijn en welke zaken met name overeenkomen met die van eisers. De enkele speculatie van verweerder dat er eventueel andere mogelijkheden zouden kunnen zijn waarom sommige verblijfsvergunningen toch niet zijn ingetrokken, zijn daartoe onvoldoende. De door eisers overgelegde informatie is naar het oordeel van de rechtbank voldoende concreet waardoor het voor verweerder mogelijk moet zijn de betreffende zaken te achterhalen. Dit geldt te meer nu verweerder ter zitting heeft verklaard dat een klein team bezig is (geweest) met de intrekkingen van de verblijfsvergunningen van Armeense Syriërs. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder zelf had kunnen nagaan wat, indien aanwezig, de verschillen zijn tussen de zaken. Nu verweerder niet inzichtelijk heeft gemaakt waar de verschillen in zitten en dus niet voldoende heeft gemotiveerd waarom het geen gelijke gevallen betreft, is het verzoek tot heroverweging van eisers onvoldoende gemotiveerd afgewezen. Het beroep is gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl