Rb. Den Haag 3 november 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:12652
Intrekking van de verblijfsvergunning regulier op de grond dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde en oplegging van een inreisverbod voor 10 jaar. Toepassing glijdende schaal. Verweerder mocht in redelijkheid gebruik maken van zijn bevoegdheid tot intrekking en hoefde niet op grond van artikel 8:84 van de Awb af te wijken van zijn beleid op dit punt. Artikel 8 EVRM en toepassing criteria uit arresten Boultif en Üner. Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel. Eiser is onherroepelijk veroordeeld tot 9 maanden gevangenisstraf en tbs met bevel tot verpleging, wegens opzettelijke wederrechtelijke vrijheidsberoving. Het recidiverisico op gewelddadig gedrag is hoog. Eiser heeft eerder delicten met een geweldscomponent gepleegd en heeft tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis opnieuw twee zware misdrijven heeft gepleegd, waarvoor hij eveneens is veroordeeld. Over de psychische en verstandelijke aandoeningen van eiser (schizofrenie en zwakbegaafdheid) heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat deze niet afdoen aan de ernst van de door eiser gepleegde misdrijven. Verweerder heeft onderkend dat eiser onder moeilijke omstandigheden is opgegroeid en dat hij een psychische stoornis en een verstandelijke beperking heeft. Verweerder heeft het verblijf van eiser in Nederland vanaf zijn eerste levensjaar en de banden die hij in Nederland heeft opgebouwd ook in eisers voordeel betrokken. Verweerder heeft daar echter tegenover mogen stellen dat in eisers geval geen hechte integratie in Nederland heeft plaatsgevonden en dat dit onder meer blijkt uit de door hem gepleegde misdrijven. De omstandigheid dat eiser een groot deel van zijn jeugd in instellingen heeft doorgebracht en dat hij vindt dat de Nederlandse overheid heeft gefaald om hem in zijn jeugd te helpen, is onvoldoende voor het oordeel dat verweerder de belangenafweging in het voordeel van eiser had moeten laten uitvallen. De omstandigheid dat aan eiser een tbs-maatregel is opgelegd en deze recentelijk is verlengd, maakt dat hij een actuele bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. Verweerder heeft bij het opleggen van het inreisverbod terecht meegewogen dat de feitelijke repatriëring – vanwege de opgelegde tbs-maatregel – nog niet aan de orde is. Daarnaast heeft verweerder er terecht op gewezen dat de nadelige gevolgen van het inreisverbod pas intreden nadat eiser het grondgebied van de Europese Unie heeft verlaten. Hiermee heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat het inreisverbod niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Beroep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl