Rb. Den Haag 12 november 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:12117

Beslissing in hoger beroep tegen de beschikking van de rechter-commissaris ex artikel 226a Sv tot verlening van de status van bedreigde getuige, in een zaak m.b.t. deelname aan een terroristische organisatie en oorlogsmisdrijven. De rechtbank stelt vast dat het horen van de verdachte niet is gedaan door de rechter-commissaris die de beschikking heeft gegeven, maar dat dat door een andere rechter-commissaris is gedaan. Dat lijkt niet in lijn met de bedoeling van de wetgever. Nu niet aannemelijk is dat de verdachte hierdoor in zijn belang is geschaad, en de rechter-commissaris in de beschikking wel de zienswijze van de verdachte heeft meegewogen, leidt dit niet tot vernietiging van de beschikking. De rechtbank toetst de inhoudelijke beslissing van de rechter-commissaris terughoudend en beoordeelt of de rechter-commissaris in redelijkheid tot de beslissing heeft kunnen komen. De beslissing is voldoende gemotiveerd en begrijpelijk. De rechter-commissaris is ingegaan op de huidige situatie in Syrië en op het subsidiariteitsvereiste. Het hoger beroep wordt afgewezen en de rechtbank laat de beslissing van de rechter-commissaris in stand.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen