Rb. Den Haag 21 oktober 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:11572

“De rechtbank is van oordeel dat van de door verweerder in het kader van artikel 8 van het EVRM gemaakte belangenafweging op meerdere onderdelen moet worden gezegd dat de van belang zijnde feiten en omstandigheden niet op de juiste wijze zijn betrokken en meegewogen. Verweerder heeft niet inzichtelijk heeft gemaakt welk gewicht hij aan het concrete belang van eerste toelating heeft toegekend. Verweerder is niet voor een voldongen feit gesteld nu eiseres de mvv-aanvraag vanuit China heeft gedaan en voor haar bezoeken aan referent altijd geldige visa voor kort verblijf heeft gehad. Ook heeft verweerder het gestelde economisch belang onvoldoende geconcretiseerd en toegespitst op de situatie van eiseres en referent. Uit het dossier blijkt dat eiseres een pensioenuitkering heeft en dat referent een WIA-uitkering en inkomen uit arbeid geniet. Verder is verweerder ook onvoldoende (kenbaar) gemotiveerd ingegaan op de medische omstandigheden (twee tumoren in het hoofd, chronische hoofdpijn, hypertensie, diabetes, psychische problemen en hartproblemen) van referent. Hoewel eiseres niet specifiek heeft uitgelegde op welke wijze het reizen tussen Nederland en China weerslag heeft op de gezondheidstoestand van referent, zijn de persoonlijke gevolgen voor referent evident. Beroep gegrond.”

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken