Rb. Den Haag 17 juli 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:7973
1(F), Belgische nationaliteit, toegangsweigering, verzoek om opheffing ongewenstverklaring, arrest K. en H.F. Samenvatting: Verweerder heeft aan eiser, Belgisch onderdaan, de toegang geweigerd op grond van artikel 3, eerste lid, onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) in samenhang met artikel 8.5 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). De toegang is geweigerd omdat eiser een actuele bedreiging voor de openbare orde of de nationale veiligheid vormt. Verweerder mag bij een toegangsweigering naar een eerder besluit waarbij is vastgesteld dat de vreemdeling wegens zijn persoonlijke gedrag een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving verwijzen, als dat besluit betrekkelijk kort voordat de vreemdeling heeft geprobeerd Nederland in te reizen is genomen. De vaststelling moet voldoende actueel zijn. Het besluit van 13 oktober 2015 is niet voldoende actueel. Verweerder had een nieuwe beoordeling moeten maken. In het kader van het latere gedane verzoek om opheffing van de ongewenstverklaring heeft verweerder zich in het licht van het arrest K. en H.F. van 2 mei 2018 deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat van eisers persoonlijke gedragingen nog steeds een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging uitgaat, die een fundamenteel belang van de samenleving aantast en dat het tijdsverloop van onvoldoende gewicht is om hier verandering in te brengen. Omdat verweerder in het besluit tot afwijzing van de opheffing van de ongewenstverklaring alsnog heeft gemotiveerd dat eiser een actueel, werkelijk en voldoende ernstige bedreiging voor de openbare orde vormt en deze motivering de rechterlijke toets kan doorstaan, ziet de rechtbank aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit over de toegangsweigering in stand te laten.
De uitspraak op rechtspraak.nl