Rb. Den Haag 10 juli 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:7551
Dublinverordening, verlenging overdrachtstermijn op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening, het begrip “onderduiken” uitgelegd in het arrest Jawo. Wetsartikelen: Artikel 29, eerste en tweede lid, van de Dublinverordening Samenvatting: Is sprake van verlenging van de overdrachtstermijn op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening? De rechtbank oordeelt van niet, nu geen sprake is van onderduiken in de zin van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening. In het Jawo arrest heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie de term onderduiken in de zin van dat artikel uitgelegd als een situatie waarin de vreemdeling doelbewust buiten bereik blijft van de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de overdracht, teneinde deze overdracht te voorkomen. In het geval van eiser was een overdracht op de datum dat hij met onbekende bestemming vertrok nog niet in zicht. Bovendien heeft eiser zich nadat hij met onbekende bestemming was vertrokken de volgende dag weer gemeld in Ter Apel. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft aangenomen dat eiser is ondergedoken zoals bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening. Dit heeft tot gevolg dat de termijn voor overdracht is verstreken en Nederland verantwoordelijk is geworden voor de asielaanvraag van eiser. Gegrond beroep. Nederland dient de aanvraag van eiser te behandelen.
De uitspraak op rechtspraak.nl