Rb. Den Haag 13 juli 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:6331
Eiser kan worden aangemerkt als verdragsvluchteling maar komt niet in aanmerking voor een asielvergunning vanwege openbare orde aspecten; volgens verweerder is eiser veroordeeld voor een bijzonder ernstig misdrijf en vormt hij een gevaar voor de gemeenschap. De rechtbank wijst op C2/7.10.1 van de Vc, arrest Ahmed van het Hof van Justitie (13 september 2018, C-369/17), de uitspraak van de Afdeling van 3 januari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:226) en de eerdere uitspraak van deze rechtbank in eisers zaak (ECLI:NL:RBDHA:2019:3086) en overweegt dat verweerder onvoldoende overeenkomstig heeft getoetst. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat de door eiser gepleegde feitelijke handelingen, de aard en de mate van geweld van een zodanige ernst en omvang zijn dat het onthouding van een asielvergunning rechtvaardigt. Daarnaast heeft verweerder t.a.v. het criterium ‘gevaar vormt voor de gemeenschap’ ten onrechte niet aan het Unierechtelijk openbare orde begrip getoetst. De rechtbank ziet niet in dat bij de intrekking van een asielvergunning wel aan dit Unierechtelijk openbare orde begrip wordt getoetst en bij de weigering van een asielvergunning niet, terwijl de toets in artikel 14 van de Kwalificatierichtlijn en artikel 3.105c en 3.105d van het Vb in beide gevallen hetzelfde is.
De uitspraak op rechtspraak.nl