Rb. Den Haag 24 januari 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:513

Vordering van eiser tot schorsing van zijn detentie afgewezen. Op grond van het verdrag tussen Nederland en Thailand moet de Staat het restant van 10 jaar en 8 maanden ten uitvoer te leggen. Van de Staat kan niet worden verwacht dat hij eenzijdig eiser onmiddellijk dan wel kort na zijn overbrenging naar Nederland in vrijheid stelt. Volgens eiser is voortzetting van de detentie echter onrechtmatig. Want volgens het rapport van de Ombudsman hebben de overheidsinstanties onzorgvuldig gehandeld bij hun optreden in Thailand. Voor zover de rechter in een nog te voeren bodemprocedure tot het oordeel komt dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld, zullen de negatieve gevolgen voor eiser zich dan laten vertalen in de vorm van een schadevergoeding. Daarnaast stelt eiser zich op het standpunt dat het hoogst waarschijnlijk is dat zijn gratieverzoek wordt toegewezen. Het is echter maar zeer de vraag of eiser in zijn verzoek tot gratie kan worden ontvangen. Op grond van het verdrag kan namelijk niet worden uitgesloten dat Thailand het recht om gratie te verlenen aan eiser uitsluitend aan zichzelf heeft voorbehouden. Een kort geding procedure leent zich niet voor beantwoording van die vraag. Daarvoor dient de gratieprocedure. Voor klachten over het medisch beleid binnen de gevangenis of een verzoek om strafonderbreking voor medisch onderzoek dient eiser de daarvoor in de Penitentiaire beginselenwet en Penitentiaire maatregel voorgeschreven procedure te volgen. De vordering van eiser is daarom afgewezen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen