Rb. Den Haag 14 mei 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:4348

samenvatting t.b.v. publicatie van de uitspraak van de meervoudige kamer van 14 mei 2020 Trefwoorden: 1F, 3 EVRM, inreisverbod 10 jaar, actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving Eiser is in de periode van 1990 tot 2003 als beroepsmilitair actief lid geweest van het onderdeel Regiment Commando (Fawj al-Maghawir, de rode baretten) van het Libanese leger. In de periode van 5 december 2007 tot 30 april 2008 heeft hij bij de Protective Services Detail als konvooi commandant voor de American Iraq Solutions Group in Irak werkzaamheden verricht. Eiser vreest bij terugkeer door de Libanese autoriteiten te worden gedetineerd of vermoord. Daarnaast vreest hij voor de extremistische islamitische groeperingen, en dan met name Hezbollah. Verweerder heeft eiser het bepaalde in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag tegengeworpen, zijn asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond omdat hij een ernstig gevaar vormt voor de openbare orde en hem een inreisverbod voor de duur van 10 jaar opgelegd.. Eisers betoog dat uit de door verweerder aangehaalde bronnen niet blijkt van wederrechtelijke executies, en dat de (wel in die bronnen genoemde) misdrijven wederrechtelijke detentie en (zware) mishandeling niet kunnen worden aangemerkt als ernstige niet-politieke misdrijven als bedoeld in artikel 1(F), aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag slaagt niet. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd waarom de misdrijven wederrechtelijke detentie en (zware) mishandeling waarmee eiser in verband wordt gebracht, aangemerkt worden als ernstige, niet-politieke misdrijven als bedoeld in artikel 1(F). Ook voor het overige heeft verweerder onder verwijzing naar verschillende algemene bronnen, maar ook op grond van eisers verklaringen over zijn deelname aan en rol binnen Fawj al-Maghawir in de periode van 1990 tot 2003, terecht geconcludeerd dat sprake is van knowing and personal participation, zodat het bepaalde in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag terecht aan eiser is tegengeworpen. Wat betreft de door eiser gestelde vrees voor problemen met extremistische groeperingen, waaronder Hezbollah, heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat er geen sprake is van een risico als bedoeld in artikel 3 van het EVRM bij terugkeer naar Libanon. Het beroep is in zoverre gegrond. Gezien de in het bestreden besluit gegeven motivering kan niet gezegd worden dat verweerders standpunt dat het gedrag van eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt, enkel berust op de tegenwerping van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. Verweerder heeft zich voldoende gemotiveerd en niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het gedrag van eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken