Rb. Den Haag 26 maart 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:4197
Eiseres heeft voor eigen rekening en risico een tuinbouwkas gebouwd op grond van een derde, waarna zij een opstalrecht heeft verkregen. Daarna wordt de tuinbouwkas en het opstalrecht verkocht en is eiseres de kas blijven gebruiken op grond van een leasecontract. Nadat het leasecontract is beëindigd, wordt op 9 oktober 2015 de kas en het opstalrecht aan eiseres (terug) geleverd. Ter zake van deze verkrijging heeft eiseres geen overdrachtsbelasting voldaan. Verweerder heeft vervolgens een naheffingsaanslag opgelegd. In geschil is of ten aanzien van de verkrijging van 9 oktober 2015 een beroep kan worden gedaan op de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onder i van de Wet Belastingen van Rechtsverkeer (WBR) dan wel de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onder r van de WBR. De rechtbank verwijst allereerst naar de ratio van de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onder i van de WBR en oordeelt, met verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 6 januari 1993 (ECLI:NL:HR:1993:ZC5216), dat de strekking van de wet in dit geval prevaleert. Dit leidt tot de conclusie dat er ten tijde van de verkrijging op 9 oktober 2015 geen sprake meer is van een verkrijging van een goed dat door eiseres is gesticht en dat er geen ruimte is voor een ruimere toepassing van de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onder i van de WBR. De vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onder r, van de WBR toepassing kan evenmin toepassing vinden; eiseres maakt niet aannemelijk dat sprake is van het inroepen van een ontbindende voorwaarde. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl