Rb. Den Haag 10 januari 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:320
Ontslag op grond van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder h, Barp. De formulering van de ontslagbepaling staat niet in de weg aan het toepassen van deze ontslaggrond na de datum waarop de politieambtenaar de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt. Het feit dat verweerder heeft verzuimd eiser in de aanloop naar de datum waarop hij de AOW-gerechtigde leeftijd bereikte, te informeren over de gevolgen van het bereiken van deze leeftijd voor zijn dienstverband en daarover een besluit te nemen, betekent niet dat verweerder ten aanzien van eiser niet alsnog volgens zijn gedragslijn met betrekking tot het doorwerken na het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd een belangenafweging mocht maken. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hem een onvoorwaardelijke toezegging door een daartoe bevoegd persoon is gedaan waaraan eiser het gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen dat hij na het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd tot aan zijn zeventigste levensjaar mag blijven werken. Verweerder heeft ten aanzien van eiser de in de gedragslijn voorgeschreven belangenafweging verricht. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in dit geval van een incidentele situatie als bedoeld in de gedragslijn, die afwijking van de daarin beschreven standaard werkwijze rechtvaardigt, geen sprake is.
De uitspraak op rechtspraak.nl