Rb. Den Haag 19 maart 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:2745
Eiser heeft de Turkse nationaliteit, is van Koerdische afkomst en heeft asiel aangevraagd omdat hij geen gehoor heeft gegeven aan de oproep van de Turkse autoriteiten om als dorpswachter op te treden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiser zijn gestelde gedwongen rekrutering niet aannemelijk heeft gemaakt. Voorts heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer zal worden blootgesteld aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Met betrekking tot eisers beroep op artikel 64 Vw heeft de rechtbank in de door partijen ingebrachte medische (contra)rapportages aanleiding gezien om een psychiater als onafhankelijke deskundige te benoemen. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser lijdt aan ernstige psychische klachten. In geschil is of bij het uitblijven van behandeling sprake is van een medische noodsituatie en of de feitelijke uitzetting van eiser kan leiden tot een reeel risico op schending van artikel 3 EVRM en –indien van toepassing- welke reisvereisten in dat verband moeten worden gesteld. De conclusies van de door de rechtbank benoemde deskundige komen overeen met de conclusies van de door eiser ingebrachte contra-expertise. De door de rechtbank benoemde deskundige heeft overtuigend gemotiveerd waarom bij het uitblijven van behandeling sprake is van een medische noodsituatie. Het standpunt van verweerder dat bij uitblijven van behandeling geen medische noodsituatie zal ontstaan, volgt de rechtbank niet. Nu verweerder niet heeft onderzocht of behandeling van eiser voor zijn klachten in Turkije aanwezig is, ontbeert het bestreden besluit een daadkrachtige motivering. Het beroep is gegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen dit gebrek te herstellen, nu uit het rapport van de door de rechtbank benoemde deskundige ook blijkt dat de feitelijke uitzetting van eiser kan leiden tot een artikel 3 EVRM risico. De rechtbank ziet geen aanleiding om deze conclusie van de deskundige niet te volgen, nu de deskundige ook deze conclusie inzichtelijk heeft gemotiveerd. Verder blijkt uit de BMA-adviezen niet dat verweerder die elementen heeft betrokken die ingevolge de uitspraak van de Afdeling van 27 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:4314) en het arrest C.K. van belang zijn. Uit de uitspraak van de Afdeling en het arrest C.K. volgt dat bij de beoordeling of een vreemdeling medisch gezien in staat is om te reizen, in een dergelijk geval ook beoordeeld moet worden of de feitelijke uitzetting van de vreemdeling kan leiden tot een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM. Verweerder heeft deze beoordeling niet gemaakt. De rechtbank zal dan ook zelf voorzien in de zaak en bepalen dat aan eiser uitstel van vertrek wordt verleend met ingang van 23 mei 2017. De rechtbank heeft bij het bepalen van de ingangsdatum aangeknoopt bij de datum van het bestreden besluit, omdat eerst per die datum door verweerder (naar hiervoor blijkt, terecht) is geconcludeerd dat de asielaanvraag is afgewezen waardoor het rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f, Vw is vervallen en voor eiser op dat moment een vertrekplicht is ontstaan. De rechtbank ziet in de gegrondverklaring van het beroep aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser verzochte en gemaakte kosten voor het inbrengen van een contra-expertise.
De uitspraak op rechtspraak.nl